Heen en weer op Iberisch schiereiland
We weten nog de bochtige weg te vinden naar het huisje in Santo Estevao, het dorpje net buiten Tavira in Portugal waar we vorig jaar juni enkele dagen hebben gelogeerd. Een verbaasde Greame komt naar buiten gelopen als ik de auto in het grind parkeer en het weerzien is hartelijk. Er zijn geen andere gasten bij Monique en Graeme dus we hebben het rijk voor ons alleen. Het seizoen in de Algarve moet nog beginnen dus overal is het erg rustig. Sara kan eindelijk weer eens met een ander kind spelen, Joe, het zoontje van Greame en Monique. Joe is bijna 2 jaar ouder maar weet nu al hoe hij een meisje moet imponeren met zijn klauter- en voetbalkwaliteiten. Het is helemaal feest als zijn indrukwekkende hoeveelheid speelgoed tevoorschijn wordt gehaald. Ik probeer mijn steentje bij te dragen door de vlieger voor het eerst op Portugese bodem in de olijfboomgaard uit te proberen. De wind is echter onberekenbaar en het vliegende zeepaardje draait zich vast om de enige electriciteitskabel in de verre omtrek. Mooi verscholen tussen de bomen had ik deze net te laat gezien. Er rest niets anders dan de draad van de vlieger door te knippen aangezien de rukwinden de kabel vervaarlijk doen buigen en ik niet wil dat een aantal huizen zonder stroom komen te zitten. Dan volgt een gevaarlijke klimpartij over hekken en door manshoog onkruid om de vlieger te traceren, waarbij ik onderweg wordt gadegeslagen door talloze gifgroene hagedissen. Ik neem aan dat de slangen banger zijn voor mij dan andersom want gelukkig kom ik er geen tegen. Onder luid gejuich van de beide kinderen kom ik weer heelhuids met vlieger terug en weet Brigitte na veel pielen alle knopen uit het touw te halen. Snel opbergen totdat we een keer op het strand zijn. Daar is het niet echt weer voor dus de auto in en door de omgeving toeren op weg naar een mooi gelegen restaurant in de bergen achter Tavira waar het uitzicht overweldigend is. Door Nederlanders gerund en rond lunchtijd vol met…Nederlanders. Sara heeft de grootste lol met sinaasappels plukken en naar beneden gooien en heeft geen oog voor het prachtige panorama.
Een paar dagen Tavira doen ons goed. Graeme is net als ik een voetbalfan en aangezien zijn wieg in Schotland stond is Nederland-Schotland natuurlijk extra interessant. Ze hebben satelliet tv zodat we de wedstrijd via Nederlandse tv kunnen kijken. We kunnen ons eigen kostje koken en hebben eindelijk weer eens internet zodat we de tijd hebben om op ons gemak woonruimte in Tarifa te zoeken. Dat valt zeker niet mee. Wat we online zien is of veel te duur of erg oubollig. Er is zelfs een Spaanse term voor, “de abuela”, wat “van oma” betekent. Brigitte krijgt het Spaans benauwd als ze de foto’s van de onvermijdelijke eikenhouten wandkast en rond tafeltje met glazen bovenblad ziet. Eenmaal in Tarifa aangekomen kunnen we niets leuks vinden dat binnen ons budget past. Naast stulpjes die niets anders zijn dan donkere, vochtige holen is de topper toch wel een appartement aan de kustweg naar Cádiz met uitzicht op zee. Van tevoren krijgen we foto’s te zien met oude houten rotzooi en weet de makelaar ons te vertellen dat alles is vernieuwd en gemoderniseerd. Vol trots leidt zij ons ter plekke rond terwijl we het lachen proberen in te houden. De collectie 2009 blijkt niet veel te verschillen van voorgaande jaren. Hier zouden zelfs de kringloopwinkels bij ons geen brood van lusten. Daarbij komt ook nog dat de prijzen in juli en augustus simpelweg worden verdubbeld vanwege het hoogseizoen, ook al huur je voor een jaar. Er zijn zelfs adressen waar je tot juli kunt huren en dan twee maanden moet verkassen waarna je weer in september terug mag komen, zelfs als je een jaarcontract tekent. Allemaal hongerig naar het toeristengeld. Enigszins teleurgesteld wijken we uit naar een vertrouwd adres in de heuvels bij Tarifa, bij Brian en Jenny waar we enkele jaren achter elkaar op vakantie zijn geweest. Sara’s verjaardag staat voor de deur en dat willen we op een feestelijk plekje vieren. Een van de twee houten huisjes in de tuin is nog vrij en dankbaar nemen we onze intrek. Tijd om de voorbereidingen te treffen voor Sara’s derde verjaardag. We bezoeken een megagrote Eroski supermarkt in Algeciras om een cadeau te zoeken. Tot onze verbazing rent Sara meteen op de fietsjes af en gaat ze tussen de schappen met een Shrek exemplaar ervandoor. Het prijskaartje is echter te hoog en bovendien is er nergens plek om rustig op een vlak stukje te fietsen in Tarifa. Gelaten laat ze de tweewieler achter met de mededeling dat bij Opa Ger ook een fietsje staat te wachten als we eind mei weer even thuis zijn. Dan maar kleinere cadeau’s die Sara vol enthousiasme in de winkel bij elkaar sprokkelt. Die avond kan Sara niet slapen en blijft tot diep in de nacht rondspoken. ’s Ochtends worden we wakker van een slaperig stemmetje uit de hoek dat zachtjes om de cadeautjes vraagt. Brigitte houdt haar bezig zodat ik tijd heb om de boel buiten te versieren. Alsof ze niet weet wat ze gaat krijgen pakt ze alles vol verwachting en verbazing uit. Nu al te slim voor papa en mama. Brian en Jenny komen ook even langs met een cadeau, een stoffen Hello Kitty handtasje wat een schot in de roos blijkt. Erg lief. Het is sowieso goed om hun weer te zien na zoveel tijd en beiden doen er alles aan om ons te helpen, inclusief korting op de huurprijs van het huisje. Jenny heeft een uitgebreid netwerk in de regio en komt met een lijst van mensen die panden verhuren maar helaas zit ook hier niets bruikbaars tussen.
Misschien komt het ook omdat het weerzien met Tarifa niet het gevoel geeft wat we telkens kregen als we de berg afreden en het stadje aan de Straat van Gibraltar zagen liggen. Het leek allemaal te hip, te trendy geworden en de charme van relaxed surfersparadijsje is vervangen door een golf aan commerciële activiteiten. We besluiten onze focus te verleggen richting Cádiz en omgeving. Maar voordat we vertrekken spenderen we nog een middag en avond met onze buren in het andere huisje van Brian en Jenny, Joshua en Sarah. Engels, piepjong maar wel al verloofd. Josh is beginnend acteur die net een rol heeft gespeeld in een film die nog moet uitkomen maar van het verdiende geld zijn ze even weg uit London. Grappig om te zien hoe hij zijn bohemien image probeert vol te houden, wat zelfs een Oscarwinnaar in de dop niet lukt na een fles port solo burgemeester te hebben gemaakt. Sara en Sarah kunnen het goed met elkaar vinden en onze kleine spruit weet natuurlijk als geen ander haar in te pakken en gaat helemaal op de knuffel toer.
Aangezien het Semana Santa is zijn veel leuke plekken volgeboekt, ook rond Cádiz. We besluiten nog een keer de grens over te gaan, naar Monique en Graeme. Hebben we ook weer rustig de tijd om op Internet de opties in de provincie Cádiz uit te zoeken. Pasen nadert en Monique en Graeme nodigen ons uit om met een internationale groep families die rond Tavira woont Eerste Paasdag te vieren. Een gemêleerd gezelschap van Nederlanders, Duitsers, Zwitsers, Belgen en een Italiaanse, allen met kinderen. Het is een prachtige, zonnige dag en op de veranda van een verlaten strandtent in de duinen stalt iedereen de zelfgemaakte hapjes en drank uit. Omzichtig worden de eieren verstopt wat niet gemakkelijk is want ze zijn van chocolade en smelten in no-time in de felle zon. Daarna is het tijd voor alle kids om de echte eieren te verven met de bekende meegebrachte zakjes met kleurpastillen. Sommige tradities veranderen gelukkig niet en het is prachtig om te zien hoe taalbarrières verdwijnen als kinderen samen spelen. Sara’s vlieger gaat wederom de lucht in en ook nu blijft drama niet achterwege. Een van de kinderen laat de vlieger per ongeluk aan de waterkant los en dankzij de sterke wind gaat hij spoorslags richting Marokko. Als hij het heelhuids haalt heeft hopelijk daar nog iemand plezier ervan. Sara is veel te trots op haar zelfgeschilderde paasei om lang over het verlies in te zitten. Gelukkig maar. Toch nog een mooie Paasdag in Portugal.
De dagen erna vinden we een paar leuke plekken in de omgeving van Vejer de la Frontera, een erg leuk wit stadje op een heuvel gebouwd. De prijs is echter ook navenant. We besluiten het roer rigoureus om te gooien en nemen dankbaar het aanbod van Fernando aan om in zijn appartement aan de kust onder Granada te gaan zitten. Met alleen een gas en elektra rekening en geen huur ook erg goed voor ons budget. Het appartement ligt aan Playa Granada bij Motril, een ambitieus opgezet dorp van allemaal appartementencomplexen met daartussendoor een golfbaan. Rond deze tijd van het jaar is echter het een spookdorp en zijn er weinig bewoners. Onze enige momenten van verbaal contact zijn de kioskhouders uit Argentinië waar ik mijn dagelijkse sportkrantje haal en Maria, het alleraardigste manusje van alles in het complex waar wij wonen. Het is heerlijk om eindelijk een eigen plek voor een tijdje te hebben. Alles is aanwezig en we hebben zelfs uitzicht op zee vanaf het balkon. Degenen die hem kennen weten dat Fernando niet groot van stuk is en als ik voor het eerst de was wil strijken ben ik zwaar onder de indruk van het feit dat hij een strijkplank op zijn hoogte heeft kunnen bemachtigen. Brigitte weet echter te melden dat het een zogenaamde zit strijkplank is. Spaanse vrouwen prefereren zittend te strijken zodat ze tegelijkertijd rustig naar hun favoriete soap op tv kunnen kijken waarvan elke tv zender er ’s middags een uitzendt. Weer wat geleerd. En ik moet zeggen, het strijkt een stuk sneller met een Spaanse voetbalwedstrijd voor mijn neus.
De komende dagen willen we wat meer van de streek hier te verkennen. Met zowel zee als besneeuwde bergen op minder dan een uur rijden vanuit Granada biedt deze provincie ook veel mogelijkheden. In een volgend stuk meer over onze zoektocht naar een geschikte B&B
Eindelijk weer op pad
Drie maanden geleden landden we in Brussel in het laatste weekend voor kerstmis. Heerlijk om weer even thuis te zijn. De logeerpartijen bij opa’s en oma’s zijn een feest voor Sara en wij vinden het fijn om haar even ‘af te staan’. Het ontbreken van een eigen thuis breekt ons langzaam wel op. We leuren met meer bagage heen en weer dan op reis. De bedoeling was om in februari weer verder te reizen naar Zuid-Amerika. Het zou echter anders lopen. Tijdens het eerste deel van onze reis is ons duidelijk geworden wat we allebei heel graag zouden willen doen, een eigen Bed & Breakfast runnen. We hebben onderweg veel inspiratie opgedaan en ook veel voorbeelden gezien van hoe het vooral niet moet. Ons ideale plaatje van een B&B is een oud pand met 5 tot 6 kamers met ruimte en schaduw eromheen. Luxe tegen een schappelijke prijs aanbieden zonder met sterren of andere krampachtige kwalificaties te goochelen. En af en toe eten wat de pot schaft. Zoiets als Chambre d’hotes in Frankrijk maar dan anders.
Over de locatie van een dergelijke B&B zijn we het ook snel eens. Het moet er warm zijn en in de buurt van de zee liggen. Twee karakteristieken waarvan we tijdens de reis hebben geconcludeerd dat ze onmisbaar zijn. Brigitte en ik komen graag in Spanje en Brigitte spreekt zelfs de taal vloeiend, de keuze is dus niet moeilijk. Van alle plekken in Spanje waar we samen zijn geweest is Tarifa in het uiterste puntje onze favoriet. Relaxte, internationale sfeer door de uitstekende wind – en kite surf condities, prachtige uitgestrekte stranden, natuurparken, cultuurhistorisch achterland met Sevilla, Jerez en Granada als hoogtepunten en het Afrikaanse continent op slechts een half uur varen over de Straat van Gibraltar. Kortom, voor elk wat wils.
Op naar Tarifa dus om te kijken wat de mogelijkheden zijn. Aangezien de sok met geld ontbreekt eerst eens kijken of we iets moois kunnen huren. Nadat de auto uit de stalling is gehaald besluiten we niet linea recta naar Andalusië te rijden maar een aantal tussenstops in te bouwen om toch nog enigszins in de reismodus te blijven. Na zoveel maanden samen reizen leer je goed je sterke en zwakke kanten kennen en waar we alle drie, dus ook Sara, niet goed in zijn is vroeg opstaan. Geen wekker om 7 uur maar rustig opstaan, ontbijten en inpakken. De eerste stop kan daarom niet al te ver weg zijn en wordt de Champagne streek in Frankrijk. Rijden over de Route National met navigatiesysteem kaarten uit 2003 blijkt geen goed idee en de vrouwenstem lijkt zelf te lijden onder het steeds maar weer roepen dat we ons naar de geplande route moeten begeven. Teveel nieuwe wegen dus en tijd voor de vertrouwde Michelin wegenkaart die ik in een helder moment heb aangeschaft als back-up. Een oude priorij aan de Seine heeft een rustieke kamer met open haard en zo komt de vroegere spelen-met-vuur ervaring van de open haard bij pa & ma thuis goed van pas. Sara snoezend in haar eigen bedje en wij aan de wijn bij een knisperend vuurtje. De start is zeker niet verkeerd. De Canadese uitbaatster verkoopt ook nog lokale Champagne bij het ontbijt dus gelijk maar een flesje in de achterbak om later in Barcelona te ontkurken. Via de futuristische en imposante brug bij Millau belanden we voor de tweede stop in de velden rond Gignac, midden in de Herault-Languedoc. Domaine de Pelican is van een ongekende schoonheid. Omgeven door wijnvelden en een stilte die slechts wordt verbroken door kwetterende vogels en Arghan, de lieve hond van de eigenaars. Sara is meteen vriendjes met haar en ze rennen achter elkaar aan tussen de wijnranken. Als we het eerste glas eigen gemaakte Chardonnay proeven en de folders van de omgeving doornemen besluiten we nog een nachtje te blijven. Buiten is de wind niet vergelijkbaar met Tarifa maar sterk genoeg om voor het eerst de vlieger van Maurice en Catarina te proberen. Sara vindt het geweldig en wil het touw niet meer loslaten. Dat belooft nog wat aan de Spaanse kust.
Via lunch in Cadaqués aan de Spaanse kust gaan we op weg naar Fernando in Barcelona. Hij woont in de Eixample, op loopafstand van het centrum. Gelijk iedere wereldstad is rijden met een auto hier een avontuur op zich. Als je rondrijden in Bali overleeft moet de Catalaanse metropool een eitje zijn en zonder noemenswaardige problemen bereiken we de Carrer de Mallorca. Parkeren is een heel ander verhaal. Parkeergarages gaan per minuut en er zijn slechts enkele blauwe parkeervakken buiten waar je maximaal 2 uur mag parkeren. Hier heersen de driedubbel parkeerders. Toch maar de kleine garage in om de hoek en Josep het oude mannetje vraagt in Catalaans hoeveel uur ik wil parkeren. Als ik in mijn beste Spaans aangeef tot morgenvroeg begint hij meteen te roepen en verschijnen de hulpjes. Ik moet de bolide tegen een andere auto parkeren zodat er een ‘columna’ gemaakt kan worden. De sleutel laat ik achter zodat zij hem zelf op een andere plek kunnen zetten als iemand uit de rij weg moet. Niet geheel gerust check ik toch nog even de kilometerstand om niet de dag erna verrast te worden mocht Josep een ouderwetse joyride met zijn familie in gedachten hebben. De dagen erna wordt het een sport om zo weinig mogelijk parkeergeld te betalen. Levert uiteindelijk toch nog een laffe boete op. Het maximale tot 1950 uur betaald en vanaf 2000 uur vrij parkeren. Toch nog een papiertje onder de ruitenwisser waar op staat dat ik niet heb betaald en verder maar moet afwachten. Niets over hoogte van bedrag of manier van betalen. Die gaat in het plakboek. Een auto is sowieso erg onhandig als vervoermiddel in Barcelona. Verkeersaders slibben dicht en tot overmaat van ramp gooit de politie op zaterdagnamiddag gewoon de toegangswegen van het strand naar het centrum dicht. Gevolg: lange files en anderhalf uur rijden over een hemelsbreed stukje van 5 kilometer strand naar Fernando. Gelukkig houdt Sara de stemming er goed in door met liedjes uit Mamma Mia mee te zingen. Prematuur verjaardagscadeau van opa Ger en oma Reini was een draagbare DVD-speler die aan de hoofdsteun in de auto kan. Een uitkomst voor de lange ritten naar de zon. Ze kan het ding vanuit de maxi-cosi inmiddels helemaal zelf bedienen en zelfs een schijfje wisselen. Een koptelefoon wil ze helaas nog niet aan dus het is even doorbijten als je voor de zoveelste keer ‘Voulez-vous’ hoort.
Barcelona blijft een geweldige stad om te zijn. Op de een of andere manier geeft het een vertrouwd gevoel om door de straten te slenteren. We hebben geluk met het weer en genieten van terrasjes en vooral strand. Fernando deelt het appartement met een Duits en Italiaans meisje en om niet constant iedereen voor de voeten te lopen trekken we door de week de provincie Girona in. Via vrienden van Brigitte’s moeder werden we gewezen op een prachtig pand op het platteland dat familiebezit is en nu wordt bestierd door een Nederlandse vrouw die in Girona woont. Er zouden wellicht mogelijkheden zijn om dit een keer als B&B te gaan runnen en we besluiten polshoogte te nemen. We proberen contact te maken met de vrouw in Girona om een paar nachten te logeren maar krijgen geen enkele response. Dan maar zelf naar het dorp rijden. De oude kern is niet meer dan een kerkje met daaromheen wat panden. Het toegangshek is gewoon open en er is verder niemand te zien zodat we de stoute schoenen aantrekken en een rondje over het terrein maken. Het geheel is kleiner dan de foto’s op de website doen geloven. Het pand is inderdaad prachtig maar de tuin ligt er verlaten bij en het onkruid tiert welig. Het geheel straalt weinig bedrijvigheid uit en lijkt niet klaar om gasten te ontvangen. Vandaar wellicht geen response op ons verzoek. Jammer, met dit weer zouden de tuinzitjes bezet moeten zijn met zonaanbidders nippend aan een glaasje wijn. Je zou er zoveel meer mee kunnen doen. Er zijn gelukkig genoeg andere plekken om in deze mooie streek te blijven en het Castell D’Emporda trekt ons het meest. Een Nederlandse eigenaar die het vervallen kasteel heeft omgebouwd tot een indrukwekkend paleisje. Alles klopt tot in de kleinste details. A la carte lunchen is te duur maar het mooie in Spanje is dat vrijwel alle restaurants, ook de dure, tijdens de lunch een menu hanteren. Naargelang locatie en sterren varieert een menu van € 7 tot € 14 waar je een voor-, hoofd- en nagerecht voor krijgt inclusief een glas wijn. Zo kunnen we buiten op het mooie terras genieten van topgerechten tegen een vriendenprijs. Vanwege het laagseizoen en de inloopkorting komt een nachtje slapen binnen handbereik en voor even voelen we ons mede kasteelheer. Mocht je iets te vieren hebben of een romantische plek zoeken en even niet naar Parijs willen, dan vliegen op Girona en met huurauto op dit betoverend plekje gewoon gaan genieten.
Het is goed om Fernando weer te zien. Na een beginperiode met aanpassingsuitdagingen voor hem als niet Catalaan heeft hij inmiddels zijn draai gevonden in de miljoenen havenstad. Op zondag schijnt de zon weer uitbundig en gaan we samen met de auto naar Sitges. En met ons duizenden anderen. Spanjaarden parkeren hun auto het liefst in de bar of het restaurant dus onze tactiek om aan de rand van het centrum de auto achter te laten is een goed idee als we even later langs de files richting centrum lopen. De boulevard puilt werkelijk uit en uiteraard gaat iedereen tegelijk lunchen dus ook daar weer wachtrijen. Vraag me af hoe de sfeer hier in het hoogseizoen moet zijn. Zowel Brigitte als ik merken allebei dat we na een paar dagen stad weer snakken naar het platteland. Waar we in het verleden weinig problemen hadden met drukte, lawaai en verkeer zijn we dankzij onze reis hier allergisch voor geworden. Voor Sara is het ook niet ok. Zij was gewend om vrij rond te rennen en krijgt nu constant “pas op” naar haar hoofd geslingerd. Tijd om de smaakpapillen te verwennen en koers te zetten naar de Rioja en Ribera de Duero wijnstreken. We hebben een gids op de kop getikt met allemaal karaktervolle hotelletjes en de goedkopere zijn deze tijd van het jaar binnen ons budget om er een nachtje te slapen. Zo belanden we in piepklein dorpje Arnedillo in La Rioja in een prachtig gerestaureerd gebouw. Met lichte paniek openen we die avond de deuren van het enige restaurant dat open is als we de sticker op de deur zien waarop staat dat het aanbevolen wordt door de Michelin Gids. TL-licht en de muren volgestouwd met allemaal verschillende flessen Rioja. Sara vindt het prachtig om de dungesneden botermalse stukjes solomillo zelf grillen. Wij genieten van een geweldige fles rode Pasus Rioja die niet in de winkel wordt verkocht en betalen opgelucht de rekening op eetcafé niveau.
Onderweg hebben we weer contact gekregen met Dieter en Amanda. In 2005 zijn we op hun bruiloft in Barcelona geweest maar hadden sindsdien het contact verloren. Inmiddels wonen zij in Salamanca waar ze een talenschool runnen. In de woonkamer staat een slaapbank waar we met alle plezier een paar nachten op kunnen slapen. Brigitte heeft vier jaar hier gewoond en kent de weg op haar duimpje. De oude bekenden herkennen haar allemaal en voordat we het weten worden we mee naar hun huizen op het platteland genomen om wat te drinken en te eten. Manon, een vriendin van Brigitte, woont er nog steeds en de kinderteller met man Anselmo staat op drie. Op zondagmiddag hebben we kaart en navigatiesysteem nodig om het buitenhuis van de ouders van Anselmo in de campo te vinden. Australië visioenen keren weer terug: de man aan de grill en de vrouwen aan tafel. Alleen pruttelt dit keer een overheerlijke paella op de houtskool. Erg gezellig. In sneltreinvaart terug naar Salamanca om net op tijd Malaga met 6-0 verpulvert te zien worden door FC Barcelona. Dieter, al in diepe rouw na het verlies van zijn favoriete Espanyol, de andere club uit Barcelona, haakt na de 3-0 af en gaat van ellende nog wat werken. Ik verheug me al op de sportkrant van morgen. De donderdag dat we in Salamanca aankwamen was het overigens Vaderdag in Castilie en Leon, mijn 3e in 1 jaar tijd na Singapore en Australië. In plaats van enkel door commerciële motieven ingegeven is dat hier gewoon een feestdag waarop iedereen vrij heeft en wordt een ‘puente’ (=brug) gemaakt door de vrijdag vrij te nemen. Ons plan om op zaterdag een nachtje in de Sierra de Francia bergketen bij Salamanca door te brengen lijkt daardoor in het water te vallen omdat alles is volgeboekt. Gelukkig weet ritselkoning Tomas, een vriend van Dieter uitkomst en na zijn telefoontje wordt simpelweg een bestaande reservering in een hostal gecanceled door de eigenaar en kunnen we op weg. Als we onderweg in een bergdorp proviand inslaan voor een picknick speelt zich een tafereel af dat me enigszins aan het Roald Dahl’s verhaal Parson’s pleasure laat denken waar een antiekhandelaar het platteland afstruint en op een zeldzame Chippendale kast stuit. Alleen is deze afloop positiever. Dieter loopt op het wijnrek af in het buurtsupertje en zijn adem stokt als hij twee flessen Calixto Nieto rode wijn uit 2006 ziet staan. Hier worden door de kleine omvang van de bodega maar jaarlijks 800 flessen van gebotteld en 2006 was van uitzonderlijke kwaliteit. Hij probeert al tijden een fles te bemachtigen en is zelfs al een keer naar de bodega gereden, tevergeefs. Met een strak gezicht vraagt Dieter of er nog meer flessen zijn maar de vrouw geeft aan dat het de laatste twee flessen zijn, voor een prijs van € 25 per stuk staan ze al een tijdje te koop. Hij legt een briefje van 50 op de toonbank en snelt naar buiten waar hij bijkans een vreugdedansje maakt. Als er al een fles te koop is ergens in Spanje dan gaat die volgens Dieter niet voor minder dan € 120 over de toonbank. Toegegeven, de wijn is verrukkelijk. Zeker in de tuinsetting waarin we deze drinken: besneeuwde bergtoppen, bloeiende kersenbomen en een warm zonnetje. Sara jaagt op de vele vlinders en Brigitte en ik stoten elkaar even aan. Een perfecte dag en dankbaar genieten.
Onze eerste overnachting in Andalusie is Cazalla de la Sierra, een bergdorpje ten noorden van Sevilla en het wordt eentonig maar ook hier weer een uitzonderlijke plek. Er zijn zoveel mooie plaatsen in Europa om nog te ontdekken en dit is er zeker een van. Oude kerk en klooster en een serene rust. Voor de lunch belanden we in de enige tent die open is, een of ander Meson op een klein industrieterreintje aan de rand van het dorp. Als we binnenlopen stopt nog net niet de muziek maar alle hoofden draaien onze richting op en de gesprekken stokken. Als Brigitte in rap spaans vraagt of we nog iets kunnen eten is de verwarring zowaar nog groter. Guiri’s (spaanse term voor buitenlanders) in het dorp en dan ook nog vloeiend spaans? De barman lacht breed en wijst ons een tafel aan waarna iedereen weer overgaat tot de orde van de dag. Opvallend is dat bijna overal nog flink wordt gerookt in bars en restaurants ondanks een rookverbod. In Spanje kun je als uitbater kiezen tussen wel of niet roken. Alleen als je etablissement groter is dan 100m2 dan ben je verplicht een afgesloten niet-rokers ruimte te creëren.
Vlak voordat we Sevilla bereiken staan we voor de keuze. Of linksaf richting Tarifa of rechtsaf richting Tavira. Hier hebben we vlak voor de wereldreis gelogeerd voor de bruiloft van Maurice en Catarina en het was ons toen goed bevallen. Geen verplichtingen dus de Portugese grens over. Het is leuk om het NL-Zuid-Afrikaanse koppel Monique en Graeme weer te zien. Sara is meteen in de ban van hun zoontje Joe en de liefde lijkt wederzijds. Even een paar dagen rustig op een plek voordat we richting Tarifa gaan.
Geen reactie op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Frankrijk_Spanje.
Niet helemaal senang in Samoa
Vertrek op dinsdag 2 december en aankomst op maandag 1 december. Onze back to the future vlucht van Tonga naar Samoa duurde net geen anderhalf uur. Het Air New Zealand personeel zou ook in Apia een paar dagen rust nemen en dat verklaarde wellicht het buitensporige gedrag van de vrolijke, op het oog de pensioengrens gepasseerde steward. Zingend en druk pratend gleed de grijsbehaarde kiwi door de gangen, na iedere ronde een paar miniflesjes sterke drank naar achteren gooiend. Het leek op alles dat dit zijn laatste vlucht in uniform was en de collega’s lieten hem maar begaan.
Apia was de hoofdstad en groter en levendiger dan Nuku’alofa op Tonga. Sowieso was het toeristischer op Samoa. Meer hotels, restaurants en winkels en er was zelfs een McDonalds. Een jammerlijke calorierijke aanvulling op het toch al vette eten op Samoa. De situatie hier was nog niet zo erg als op Tonga dat zo ongeveer de meeste zwaarlijvige bevolking in de wereld had (9 op 10 was officieel te dik) maar gezien de dagelijkse drukte bij McD leek dat niet meer lang te duren. De voorbereidingen voor Kerstmis waren in volle gang en de ramen van een warenhuis werden met sneeuw bespoten. Een vreemd fenomeen als je bedenkt dat de temperatuur hier niet onder de 30 graden komt eind december.
Na zes maanden zonder noemenswaardige incidenten wat gezondheid betreft kregen we op Samoa de rekening gepresenteerd voor ons fortuin. Ging het de eerste dagen in Apia nog ok, nadat we naar de zuidkust van een van de twee grote eilanden, Upolu, waren gereisd was ik als eerste aan de beurt. Het begon met keelpijn maar eindigde in heftige koorts die mij vijf dagen aan het bed kluisterde. Gevreesd werd voor dengue maar volgens de eigenaar waar we verbleven was dat al drie jaar niet meer voorgekomen en bleven volgens hem de gebruikelijke symptomen uit. De eigenaar werd overigens zelf twee dagen later ook ziek waarbij de diagnose wel dengue luidde. Door mijn onvrijwillige retraite waren het saaie dagen en kon ik niets anders doen dan de uitgebreide collectie illegale DVD’s door te spitten. Zo miste ik ook de traditionele ‘fiafia’ avond die werd ingeluid door gezamenlijk traditionele gerechten te eten waarna de dorpelingen een meeslepende dansshow weggaven. Sara vond het allemaal weer prachtig en met de lei om (bloemenkrans) maakte ze weer haar onnavolgbare pasjes. Helaas voor Brigitte en Sara regende het vrijwel constant gedurende de dagen dat ik ziek was. Niet een kort tropisch regenbuitje zoals we gewend waren van Azië, maar urenlang stromende regen. December tot maart was ‘wet season’ en dat was te merken ook. Van lieverlee werd Brigitte een echte crack aan de pooltafel, waarbij Sara het ‘zitpoolen’ introduceerde. Ze klom zelf op de pool tafel en ging in het midden zitten waarna ze alle ballen in de gaten rolde. Tussen de regenbuien door kon Sara spartelen in het prachtige ‘infinity’ zwembad. De dag voor ons vertrek ging het weer iets beter en kon ik weer onder de gasten komen. Bij thuiskomst toch maar even alles laten checken want het voelde alsof er nog iets in het lijf achterbleef.
Nadat ik weer voldoende gesterkt was om te reizen namen we de boot naar het andere grote eiland, Savai’i. Je kon Savai’i vanuit Upolu zien liggen maar de boottocht duurde toch nog een dik uur. Koraalriffen die bij eb gevaarlijk bloot lagen beletten het schip om een rechte koers te varen. Het Siu’faga resort lag aan een fantastisch blauwe lagune die bijna pijn aan je ogen deed als de zon scheen. We waren de enige gasten en hoewel ons huisje erg mooi was bekroop ons toch een ontevreden gevoel. Voor de prijs die we betaalden gebeurden er teveel kleine dingen die ons irriteerden. Het gevoel dat ons in Apia al had bekropen werd hier alleen nog maar versterkt. We voelden ons niet echt welkom en men was alleen maar geïnteresseerd in ons geld. Brigitte was inmiddels geveld door buikgriep en we wilden niet dat deze plek onze laatste herinnering aan Samoa zou worden. In plaats de geboekte vijf nachten pakten we na twee nachtjes onze spullen en gingen we op de boot terug naar Upolu.
Een van de personeelsleden had ons als tip een plekje aan de westkust gegeven dat volgens de 2006 reisgids verbouwd zou worden. Na een paar telefoontjes ging de prijs aanzienlijk omlaag en boekten we de laatste nachten tot vertrek naar LA. Seresa, het meisje dat ons ophaalde straalde helemaal van blijdschap bij het zien van Sara en bij aankomst knipperden we even met de ogen. Bleek dat het resort van eigenaar was gewisseld en inmiddels tot de top van Samoa behoorde. Kinderen waren eigenlijk pas welkom vanaf tien jaar maar gezien het laagseizoen deden ze daar niet moeilijk over. Ons huisje lag prachtig aan de rand van de zee en vanuit de luie stoel hadden we uitzicht op Savai´i en de andere kleinere eilanden. Brigitte was de buikgriep inmiddels meester maar tijdens onze wandeling naar de lunch werd ze in haar linkeroog geraakt door een steen die opzwiepte door de grasmaaier van de tuinman. Met als gevolg dat ze een paar dagen lang als een verslagen bokser rondliep. Ik werd gelukkig niet scheef aangekeken als mogelijke veroorzaker van dit lichamelijk leed. Huiselijk geweld kwam namelijk veel voor op Samoa. Als een vrouw trouwde met een man werd ze zijn bezit en kon hij feitelijk doen wat hij wilde met haar.
Brigitte’s zwelling nam langzaam af maar gelijk een echte diva kon ze alleen maar buiten komen als ze constant een zonnebril droeg, ook tijdens het zwemmen. Sara werd op handen gedragen door het Samoaanse personeel en af en toe raakten we even in paniek als ze plotseling was verdwenen om erachter te komen dat ze weer door een van de medewerkers was meegenomen om mee te helpen. Nadat we hadden aangegeven dat het geen probleem was om haar mee te nemen zolang ze ons maar informeerden ging het een stuk beter. Ons vielen eigenlijk enkel meewarige blikken ten deel als Samoanen hoorden dat we slechts een kind hadden. De gemiddelde gezinsgrootte was hier vele malen groter. Belgische André zwaaide de scepter in de keuken en iedere dag maakte hij weer nieuwe kunstwerkjes. Het dagelijkse hoogtepunt maar tevens ook dilemma was wanneer hij de lunch- en dinergerechten op het bord had geschreven. Alles was namelijk even lekker. De vis werd iedere dag zelf door het personeel gevangen en in de keuken gefileerd dus verser kon niet. De laatste avond mochten we zelfs aangeven wat we wilden eten en met plezier maakte André ons galgenmaal Filet Mignon met spaghetti aglio olio. De bar werd bediend door Jenny. Van veraf een vrouwelijk voorkomen maar als ze met een donkere stem de bestelling opnam werd duidelijk dat het hier om een man in vrouwenkleren ging. Jenny was een zogenaamde fa’afafine, een vrouw opgesloten in een mannelijk lichaam en op haar 20ste verjaardag had ze besloten als vrouw verder door het leven te gaan. Met opgevulde BH en het meest mannelijke kenmerk nog intact had ze het in de zeer traditionele samenleving op Samoa niet gemakkelijk maar voelde ze zich wel gelukkig. Het werden een paar mooie laatste dagen op Samoa en met weemoed namen we de middernachtvlucht naar Los Angeles.
De vlucht naar LA zat niet vol en Sara had weer twee stoeltjes gekregen zodat ze vrijwel de hele vlucht kon slapen. Ondanks de lekkere maaltijd en de vele dekens en kussens konden Brigitte en ik de slaap helaas niet vatten. Gelukkig bood het uitgebreide entertainment systeem van Air New Zealand uitkomst. Met slaap in de ogen landden we ’s middags in een regenachtig LA waar de douane check verrassend vriendelijk en snel verliep. Met de shuttle naar het Marriott en meteen iets gaan happen bij de Champions Sports Bar. Na maanden zonder tv ineens een overkill aan schermen met alleen maar sportwedstrijden. NBA, NFL, NHL, ik kwam ogen tekort om het allemaal bij te houden. Een walhalla voor mij als sportgek. De Lakers versloegen nipt de Knicks, Coach Dean leidde met zijn North Carolina Tarheels nog steeds de College Basketball dans en Charles Barkley haalde weer eens de pers door dit keer College Football als laatste bastion van racisme te betichten. Kortom, er was niet veel veranderd in sportland sinds mijn laatste bezoek. Sara’s ogen konden de enorme porties eten en drinken niet geloven en hoewel ze flink haar best deed om de frietjes naar binnen te werken bleek het bord toch te groot. De dag erna in de stromende regen naar Disneyland. Door het slechte weer waren er weinig bezoekers zodat we overal zonder wachten in de attracties konden. Ondanks alle high tech attracties waren de knuffels met Mickey en de prinsessen samen met de draaimolen de absolute hoogtepunten voor Sara. Wij waren vooral onder de indruk van de kerstsfeer en het speciaal hiervoor opgebouwde kasteel waar kerstgroeten uit de hele wereld uitgebeeld werden. Onze onvergetelijke iconen klomp en molen waren natuurlijk ook aanwezig. De vlucht naar London zou pas ’s avonds vertrekken zodat we nog tijd genoeg hadden om naar Manhatten Beach te gaan. Het zonnetje scheen en op het strand en pier was het gezellig druk. Een totaal andere wereld dan de voorgaande twee grauwe dagen. In het nabij gelegen winkelcentrum was van een economische crisis weinig sprake. We konden de verleiding weerstaan om de nieuwste iTouch te kopen in de Apple winkel, die uitpuilde uit alsof de design gadgets voor niks waren.
In tegenstelling tot de prettige aankomst was het vertrek een en al stress bij de bagage security check. Mijn kookpunt was bijna bereikt met een ontzettend lompe vrouw van Airport Security die bijkans Sara omverliep daarbij ons toesnauwend dat we op ons kind moesten letten. Voor het eerst tijdens de reis vergat ik mijn riem af te doen en werd prompt als een crimineel minutieus gefouilleerd. Merry Christmas. De Virgin vlucht zal helemaal vol dus wederom weinig geslapen. Gelukkig dat we een nachtje in London zouden blijven om bij te slapen voordat we fris en monter onze laatste van vijftien vluchten naar Brussel zouden nemen.
2 reacties op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Samoa.
Paradijs in de Pacific
De Boeing 737 zat vol met stevig uit de kluiten gewassen mannen en vrouwen waarvan sommigen in traditionele dracht. NZ26 is de Air New Zealand vlucht die vanuit Auckland naar Los Angeles vliegt en onderweg in Tonga en Samoa stopt. Dit was tevens de vlucht waar de meeste kleine kinderen in zaten sinds we onderweg waren. Sara had in de vertrekhal al met een paar meisjes uit Tonga gespeeld. Hoewel van gelijke leeftijd stuk voor stuk vele kilo’s zwaarder. De piloot zaaide ietwat onrust toen hij bij het naderen van Tonga aangaf dat we zojuist de datumgrens waren gepasseerd en dat het maandag was in plaats van dinsdag. Dat zou onze boeking in Tonga en de eerste 2 nachten in Samoa danig in de war schoppen. In ons reisschema van Virgin stond bij Samoa een typefout bij de datum en doordat ik het op Internet had gecheckt wist ik zeker dat we pas op de vlucht naar Samoa een dag zouden winnen. De stewardess keek ons met een hoe-durf-je-de-piloot-niet-te-geloven blik glazig aan maar beloofde het toch nog even te controleren. Schaapachtig riep de piloot enige tijd later om dat hij zich had vergist en dat Tonga in dezelfde tijdzone als Nieuw-Zeeland lag. Hopelijk kon hij beter met de apparaten in de cockpit overweg.
De landing verliep soepel en iedereen werd verzocht het vliegtuig te verlaten, ook de passagiers voor Samoa en LA. Naast ons stonden een paar beren van kerels, spelers van het nationale rugby league team van Tonga die terugkeerden van het WK in Australië (waar overigens de kiwis in het hol van de leeuw met de overwinning zouden strijken, in voetbaltermen zoiets als Luxemburg dat in Rio de Gele Kanaries klopt). Er waren drie loketten, een voor Tongalezen, een voor buitenlanders en een voor ‘Special Assistance’, allen tergend langzaam. Hoewel we dankzij Sara aanspraak konden maken op de laatste rij werden we toch tussen de buitenlanders gezet. Bankbiljetten wisselden niet eens heimelijk van hand en na het oma’tje in de rolstoel konden de wat kapitaalkrachtiger Tongalezen sneller door de Special Assistance rij. Wij waren als laatste aan de beurt en na 45 minuten konden we onze bagage ophalen. Na het efficiënte Australië en Nieuw-Zeeland was het even wennen aan het ritme in de Pacific.
We hadden een weekje een strandbungalow, oftewel fale, gehuurd bij het Australische kunstenaarskoppel Chris en Shane die al meer dan 20 jaar op Tonga woonden. Zij hadden een transfer voor ons geregeld en met een glimlach van oor tot oor stond Vei, wederom een bonk van een vent ons op te wachten. Het was al na achten en donker en de rit zou ongeveer 50 minuten duren aangezien we helemaal naar de noordwest punt van het hoofdeiland Tongatapu moesten rijden. Vei gleed automatisch in de rol van eilandgids en met een reisgidsachtige stijl praatte hij enkele bezienswaardigheden onderweg aan elkaar, met als topper de palmboom met drie stammen, een unicum in de Pacific volgens hem. Als dit een hoogtepunt was dan hoefden we een week lang niet van het strand te komen. Het was overal erg donker met af en toe oplichtende koplampen als er weer ergens politiecontrole was. Met een maximumsnelheid van 40 km/uur in dorpen die je voorbij rijdt zonder dat je het in de gaten hebt een belangrijke bron van inkomsten voor de lokale hermandad. Sara kon de plas niet meer ophouden en op goed geluk zochten we samen een weg achter een struik, hopende dat er geen enge beesten zouden opduiken. Volgens Vei zaten er geen slangen maar wel grote spinnen die echter niet giftig waren. Chris stond ons al op te wachten en met hulp van een zaklamp bereikten we ons huisje. Met een ontbijtmand een paar koude Tonga biertjes konden we voorlopig even vooruit. Het huisje was comfortabel met een eigen schaduwrijke tuin van waaruit een pad naar het strand liep dat 20 meter verderop lag. De twee andere huisjes werden bezet door een Australisch koppel met oudere dochter. Sara viel vrijwel meteen in slaap in haar eigen tentje, moe van de lange dag. Het koude biertje smaakte ons goed maar deed ons niet slapen. Er waaide een stevige bries en de zee beukte op het strand, een geluid waar we pas na een paar dagen echt aan gewend waren. Zoals ieder paradijselijk plekje was ook hier gevaar, iets dat we de ochtend erna zouden merken. Tijdens het ontbijt werden we belaagd door hordes vraatzuchtige muggen. Brigitte’s rug leek wel op die van een zojuist ontwaakte fakir. Gelukkig zou Sara gek genoeg niet veel last ervan hebben. De muggen leken volwassen bloed te prefereren en beten alleen overdag. Het was happy hour tussen 1700 en 1800 want dan kon je gewoon niet buiten zitten zonder lek gebeten te worden. Duidelijk het patroon van de dengue mug, hoewel men beweerde dat dit op Tonga niet voorkwam. “Dengue mosquito is black and white, ours are different”. Nou, wij hebben alleen maar zwart-wit gestreepte muggen gedood, maar goed. Veel DEET smeren dus. Door de permanente bries was de enige plek waar je relatief veilig was overdag het strand. Geen straf natuurlijk. Op 100 meter buiten de kust lag een koraalrif dat de grootste golven brak zodat Sara makkelijk kon poedelen. We hadden het strand voor ons alleen en genoten volop van zee, zon en rust.
Naast onze plek lag Vakaloa, een klein resort dat sinds kort nieuwe eigenaren had. De eigenaren hadden een dochter Wika, die zeven maanden ouder was dan Sara maar ook zeven kilo zwaarder. Geen wonder als het doorsnee kinderontbijt hier uit een half witbrood zonder beleg en een glas dikke kokosmelk bestond. Samen renden ze door het restaurant en hadden veel lol. We raakten aan de praat met Hans, de opa van Wika. Een olijke Duitser uit Wiesbaden, getrouwd met een Tongalese en al jarenlang woonachtig op Tonga. Hij had zijn dochter geholpen het resort over te nemen en stijlvol te restaureren. Hans had geweldige anekdotes over zijn tijd op Tonga en was maar al te blij deze eindelijk weer eens in het Duits te kunnen delen. Bijvoorbeeld de keer dat hij tijdens een belangrijke Pacific conferentie op Tonga de vertegenwoordiger van Nieuw-Zeeland moest rondrijden omdat hij toevallig zijn Mercedes uit de Heimat had laten overkomen. Gelukkig wel iets ouder dan de enige andere Mercedes op het eiland, die van de koning. De toenmalige koning van Tonga had in Zwitserland onderwijs gevolgd en sprak vloeiend Duits en Hans had hem regelmatig al eens getroffen op feesten. Toen de NZ vertegenwoordiger op audiëntie moest reed Hans hem tot voor de deur waarachter meteen de zaal met troon was. En terwijl de kiwi zenuwachtig aan zijn kleding plukte, klaar om de gebruikelijke formaliteiten uit te wisselen wenkte de koning Hans met de woorden: Hans, weg mit dem Protokol, steig mal aus deine alte Kiste und kom mal her, wir haben uns schon zo lange nicht mehr gesehen. De kiwi snapte er niets van en stond als versteend aan de grond genageld. Hij heeft Hans de dagen erna enkel nog met Sir aangesproken. En zo had hij er nog een dozijn.
De avond erna zou het resort een culturele avond met buffet houden dat we niet wilden missen. Naast een paar andere tafels met ‘palangi’ (buitenlanders) die allen op Tonga woonden stond op een aparte verhoging een rijk versierde tafel. De prinses van Tonga zou haar verjaardag met haar naaste familie die avond vieren. En zo deelden we het buffet met de royalty van Tonga en stond ik, naar achteraf bleek, te plassen naast een of andere prins. Sara had natuurlijk nergens weet van en nam aan het eind van de avond gewoon van iedereen enthousiast afscheid, blauw bloed of niet. Waarschijnlijk is ze nog op de nationale tv geweest ook want er liep constant een cameraman rond om alles vast te leggen. De avond begon met een giga buffet met enkele Tongalese specialiteiten zoals lu, een combinatie van corned beef, vis, kokosmelk en uien, gewikkeld in taro bladeren en in een grondoven, de umu, klaargemaakt. Naast een enorme red snapper lag aan het eind nog een geroosterd speenvarken waarbij Sara iedereen aan het lachen kreeg toen ze enthousiast “kijk, mama, dat is Babe” riep. Die film is blijkbaar overal bekend. Met volle maag werden we getrakteerd op een aantal dansen van verschillende Polynesische eilanden zoals Tonga, Samoa en Fiji. Het was gebruikelijk om de dansers en danseressen te belonen door bankbiljetten op hun met olie besmeerde armen te plakken. Sara wilde ook en stond enigszins verloren tussen de woest uitziende mannen totdat de prinses haar aan de hand meenam en haar uitlegde wat ze moest doen. Hoewel ik nog geen linguïstische verbanden tussen Limburgs en Tongalees heb kunnen bespeuren snapte ze het meteen en liep ze triomfantelijk weer met de prinses van het podium af. Daarna was het de beurt aan de gasten en voorzichtig kwamen de beentjes los, inclusief mijn eigen houterige shuffle die ongeacht de muzieksoort overigens altijd hetzelfde is. Simpel houden is het credo.
Chris kwam regelmatig even voorbij om een praatje te maken voordat ze met surfplank de zee inliep. Voor ons strand was de enige fatsoenlijke surfplek op Tongatapu en zelfs de vorige, inmiddels overleden koning had hier regelmatig de golven getrotseerd. Het strand hadden we dagelijks voor ons alleen tot vlak voor zonsondergang als de dorpelingen een duik kwamen nemen. Iedereen bleef dan gekleed want dat was vanuit religieus oogpunt vereist. Naast de gebouwen van de mobiele telefonie provider Digicel hadden de kerken de nieuwste en mooiste gebouwen. Beide brengers van de boodschap zij het in andere werelden. Religie neemt een centrale plaats in op Tonga. Ieder dorp heeft wel een paar kerken die lokaal ook voor het broodnodige onderwijs zorgden, maar de Mormonenkerk spande helemaal de kroon. Een ultramodern gebouw met gouden figuur op de top en een enorm complex met huizen en school. Het onderwijs op deze school stond hoog aangeschreven, wat mede kwam door het onderwijzende personeel dat vanuit de VS werd ingevlogen als onderdeel van de zware sponsoring uit Salt Lake City, het mormonen hoofdkwartier. Helaas mocht je alleen naar deze school als de hele familie mormoon was of wilde worden. Verder had je nog de Rooms-Katholieke kerk, de methodisten en Jehova’s. Zondag was hier nog een zondag zoals de christelijke partijen het bij ons graag zouden willen. De eerste mis begon om 0500 uur ’s ochtends, waarna er nog drie volgden. De mannen bereidden na de eerste mis het eten in de umu oven en na de copieuze lunch ging iedereen slapen tot de avondmis. Verder gebeurde er die dag helemaal niets. Op een paar resorts en toeristenrestaurants na was alles dicht en er reden geen bussen of taxi’s. Er mocht ook geen enkel vliegtuig landen of vertrekken. Wij hadden gelukkig genoeg proviand ingeslagen en door de geïsoleerde ligging was het voor ons eigenlijk iedere dag een soort van zondag. Ontbijten, lekker luieren aan het strand, lunchen, een middagdutje, een strandwandeling en wat snorkelen of kayakken, dineren en als Sara eenmaal sliep een koud biertje op de veranda. Chris nam ons op een zwoele zaterdagavond mee naar de blowholes aan de zuidkust. Het was vloed met talrijke hoge golven wat een geweldig spektakel bood. Het water spoot uit honderden blowholes tot soms wel 25 meter hoog. Met een prachtig ondergaande zon genoten we van dit geweldige natuurfenomeen.
Onze proviand haalde we in een van de winkeltjes in het dorp. Dit waren houten schuurtjes met tralies ervoor waar je als een soort van gevangene je geld ruilde voor goederen door de kleine gaatjes. Veel van deze winkeltjes werden gerund door Chinezen die op toeristenvisas binnenkwamen en via omkoperij illegaal handel dreven. Er liep allerhande vee los door de straat zoals kippen en varkens. Maar ook veel agressieve honden zodat Sara en ik ieder met een stok onze route liepen. Tijdens onze tocht kwamen we een van de ‘leiti’ tegen, dit zijn mannen die zich als vrouwen kleden en gedragen. Er is zelfs een mateloos populaire jaarlijkse schoonheidswedstrijd. En hoewel het merendeel van deze leiti homo is wordt homoseksualiteit niet geaccepteerd maar deze crossdressers blijkbaar weer wel. Erg schijnheilig allemaal. Verse producten waren alleen maar in de hoofdstad Nuku’alofa te krijgen en dus met de lokale bus naar de markt. Het openbaar vervoer was een avontuur op zich. Het begon met wachten tot de bus kwam. Het kon een uur duren maar soms kwam de bus ook gewoon niet als de chauffeur een dutje deed of gewoon geen zin meer had. In de bus telde je 24 plekken maar werd er in ieder dorp een veelvoud ingepropt terwijl de reggae muziek keihard uit de immense speaker knalde. En als je dacht dat er geen gaatje meer vrij was stopte de bus voor nog twee bonken van kerels die gewoon in de deuropening gingen zitten en de bus langzaam begon over te hellen. No worries. Afrekenen deed je door eerst uit te stappen en het geld opgerold door het raam naar binnen te gooien. Zo’n rit duurde bijna een uur en je was blij eindelijk de bezwete massa te kunnen ruilen voor de warme deken buiten. Nuku’alofa was verder niet zoveel aan. Stroperig verkeer, veel mannen die in groepjes in het niets staarden en een Internetwinkel waar je films op DVD kon kopen die voor je neus illegaal werden gekopieerd. De politie kwam zelf ook een paar titels aanschaffen toen wij binnen waren dus nog veel werk aan de winkel voor de piraterij speurders.
De laatste dag voor vertrek besloten we toch nog een tour rond het eiland te maken met Vei. We hadden de blowholes al gezien dus er bleef eigenlijk niet veel over. Onze eigen Abel Tasman was als eerste hier aan land geweest en ook al was de noordwest punt als landingsplek gemarkeerd het was eigenlijk onduidelijk waar de plek precies was geweest. De poging van Captain Cook was beter geconserveerd. Hier stond een heuse gedenksteen en werden zelfs op kleine schaal souveniertjes verkocht waar Sara mee mocht helpen de tapa te schilderen, de bast van een boomstam. In tegenstelling tot in Aziatische landen waar je belaagd werd door hordes verkopers waren attracties hier een oase van rust. Een verademing. Het leukste van de rit echter waren de dorpjes onderweg waar Sara veel bekijks trok. Armoede en relatieve rijkdom leefden naast elkaar. Veel families worden gesponsord door familieleden die overzee in Australië een baan hebben. Voor veel Tongalezen een droom aangezien hun leven normaliter zich binnen de paar vierkante meter van hun dorp afspeelt. Uit onze tijd in Australië weten we echter dat het leven voor een eilandbewoner erg hard is down under. Slecht betaalde banen, criminaliteit, onderhuidse discriminatie en het beetje geld dat wordt verdiend wordt trouw naar huis gestuurd. Zelfs de semi-professionele Tonga rugby spelers gingen tijdens het WK dagelijks McDonalds eten om zoveel mogelijk van hun dagbudget uit te sparen voor de familie thuis. Ik weet niet wat beter is, in de marge rommelen in Australië of het monotone maar relaxte eilandleven. In het eerste geval heb je in ieder geval een keuze en dat is ook weer veel waard.
Tonga was voor ons een idyllisch plekje waarvan je egoïstisch hoopt dat het massa toerisme er nooit op gang zal komen.
Auckland en het noorden
De aankomst in Auckland voorspelde niet veel goeds, stromende regen en koud. We hadden een huurauto op Internet geboekt en na een shuttlebusrit naar Manukau bleek dit een vijftien jaar oude Nissan Cefiro Excimo te zijn. Dit vlaggenschip was niet te koop in Europa en duidelijk een topmodel in staat van vergane glorie. Om het spitsuur rond Auckland te vermijden stopten we eerst bij een groot winkelcentrum in Manakau. Het viel ons op dat we in het korte tijdsbestek dat we in de Japanner zaten we al meer Maori’s gezien hadden dan alle weken op het Zuidereiland bij elkaar. In plaats van het centrum van Auckland wilden we in een van de buitenwijken slapen en reden naar Devonport. Vandaaruit kon je met het pontje makkelijk naar centrum Auckland dus geen geklooi met parkeren. Hoewel het een alleraardigst plaatsje aan het water was met mooie Victoriaanse huizen was er weinig leuke en betaalbare accommodatie voorhanden. Terug richting Auckland en de afslag naar Ponsonby genomen. Het was inmiddels al na achten en Sara’s luikjes gingen langzaam dicht. Uiteindelijk belandden we bij een B&B in een prachtig oud huis gerund door de Australische Maureen die ons voor een schappelijke prijs de grote voorkamer liet gebruiken. Achteraf bleek dat Maureen’s zus die dag was begraven in Sydney en zij haar verdriet aan het wegdrinken was. Ze had de hoop al opgegeven dat iemand nog zou aankloppen om haar uit haar eenzaamheid te verlossen totdat wij opdoken. Sara veerde op toen ze de lading speelgoed van Maureen’s kleinkind zag en wij werden getrakteerd op hapjes en wijn, veel wijn. Aangezien we de enige gasten waren werd het tijdschema van ontbijten en uitchecken geheel vergeten. We konden doen en laten wat we wilden, Maureen vond het allemaal best. Na de brunch besloten we lopend naar het centrum te gaan zodat we via Ponsonby, K-Road en Queen Street het hart van Auckland zouden binnenlopen. Vol met de geijkte winkelketens vonden we het centrum en de haven echter niet de moeite waard en liepen we door naar het Auckland Museum. Het museum was rijk aan interessante tentoonstellingen over de Maori’s, de Pacific en vulkanen. Voor Sara was er een hele afdeling vol met levende beesten en speelgoed, inclusief kostuums van allerlei dieren die zij enthousiast herkende. Ze was niet weg te slaan bij de tijdelijke tentoonstelling over onderwijs in Nieuw-Zeeland. Niet omdat de geschiedenis zo interessant was maar meer vanwege de enorme wand vol snoep uit de oude tijd. Ponsonby zelf was een erg leuke wijk met allerlei winkeltjes, gallerijen, cafés en restaurants. De cappuccino was overal even lekker en Brigitte had moeite om niet een extra koffer vol te stoppen met goedkope tweede hands kleding uit de vele boetiekjes. Na twee nachten bij Maureen besloten we verder te trekken naar de Bay of Islands, een schijnbaar niet te missen eilandengebied op een paar uur rijden ten noorden van Auckland. Hoewel Paihia het toeristencentrum was en de meeste accommodatie had kozen we ervoor het pontje naar Russell te nemen. Dit was als Kororareka kort de hoofdstad van Nieuw-Zeeland geweest in de hoogtijdagen van de walvisvaart. Hoe lieflijk het er nu bij lag was niets vergeleken bij de hel van de Pacific die het vroeger was toen talloze matrozen en criminelen zich schijnbaar de drank en hoeren goed lieten smaken. De motels aan de waterkant vroegen ondanks laagseizoen allemaal de hoofdprijs. Gelukkig vonden we een paar straten landinwaarts een superappartement met alles erop en eraan inclusief, jawel, de inhouse spa. Hier werd het ook tijd voor Sara om de schoen voor Sinterklaas te zetten. Ze zong ’s avonds uit volle borst Sinterklaas Kapoentje en at en passant de hele wortel bestemd voor Amerigo. Gelukkig heeft Sint tegenwoordig GPS apparatuur en is Amerigo verfijnder voedsel gewend anders had hij ons plekje nooit kunnen vinden. Omdat Sara dit keer in een gewoon bed sliep in de kamer naast ons was ze ´s ochtends zelf opgestaan en had het cadeautje uit haar schoen gepakt. We werden wakker van een luide knak toen ze haar tanden in de grote chocolade pop zette en deze in sneltreinvaart verorberde.
We benutten een mooie zonnige dag om een boottocht door de Bay of Islands te maken. Een schitterend natuurgbied waarvan je de volle pracht eigenlijk alleen vanaf een boot kon zien. Onderweg zwommen nog enkele bottlenose dolfijnen voor de boot. Bij terugkomst stonden Russell’s lagere schoolkinderen allemaal op de pier verzameld om te oefenen voor een zang en dans competitie later die week. We werden vergast op enkele Maori liederen en de onvermijdelijke Haka. Het is opvallend hoe Nieuw-Zeelanders anders met hun oorspronkelijke bewoners omgaan dan Australiërs met Aboriginals. In tegenstelling tot de grote rivaal aan de andere kant van de Tasmaanse Zee werken Maori’s wel in allerlei functies, ook politiek en zie je de taal overal opduiken. Kinderen leren op school de taal en gebruiken zodat het respect van jongs af aan wordt geleerd. En dat zal broodnodig blijken. In de media overheerst vaak de negatieve berichtgeving, vooral uit de armere Maori wijken rond Rotorua. Al dagen beheerste de rechtzaak over de dood van een 3-jarig Maori meisje de koppen. Het arme schepseltje werd stelselmatig mishandeld door de broers en vriend van de moeder die niet ingreep. Tot in het kleinste detail werden hun laffe mishandelingen beschreven (bijvoorbeeld het kind aan de waslijn hangen en dan hard rondzwaaien totdat het erafvloog en bewusteloos bleef liggen). Buurtbewoners hoorden vaker geschreeuw en hadden de waslijn actie gezien maar grepen niet in. Mishandeling is blijkbaar business as usual in deze contreien gezien de quote van de buurman: “I thought nothing special about it, it seemed like just another normal case of domestic violence”. De broers en vriend kregen levenslang en de moeder zal grijsbehaard ooit vrijkomen. De hele zaak werd aangegrepen om de zwijgplicht in Maori kringen te doorbreken en deze wanpraktijken te meldden om erger te voorkomen. Wat mij vooral opviel was de subjectieve toon van de berichtgeving in vooral de kranten. Als bijvoorbeeld een zus van de moeder werd geïnterviewd was zij niet de zus van de moeder maar een van de vele zussen van de moeder. Sluimerend stigmatiserend.
Het NZ geld raakte langzaam op en we hadden weinig zin om nog veel te rijden. Op Internet zag ik een Couchsurfer in Whangarei die ook families ontving dus na enkele e-mails heen en weer een afspraak gemaakt voor de dag erna. Zelf las ik twee jaar terug voor het eerst over CouchSurfing en gaf de tip aan mijn neef die inmiddels op vele bankstellen in Europa heeft gelegen. Het is eigenlijk een gemeenschap van mensen die graag reizen en als ze dat niet doen hun huis openstellen voor andere reizigers. Er zijn verder geen kosten aan verbonden en het is aan jezelf of je iets wil terugdoen voor je gastheer of –vrouw. Ik had ons wel ingeschreven en lid gemaakt van de familiegroep voor onze reis maar nog niets mee gedaan. Onze eerste ervaring was bij Karen en Colin die zoals gezegd in de buurt van Whangarei woonden, in de middle of nowhere. Hun mooie houten huis lag op een heuvel met een prachtig uitzicht over glooiende groene hellingen. Karen had aangegeven dat de eerste nacht nog twee oudere Franse dames zouden blijven slapen. En zo zaten we op vrijdagavond met zijn allen aan de wijn en bleek Nicole gewoon tegen iedereen Frans te praten alsof ze thuis in Toulouse bij de bakker binnenkwam. Brigitte heeft de rest van de avond als tolk rondgelopen want zelfs Catherine, de andere uit Bordeaux kon zich met moeite staande houden in een simpele Engelse conversatie. Beide zestigplussers zouden twee maanden over beide eilanden met een tentje rondtrekken. Ben benieuwd hoe dit zal aflopen. Aangezien ze het jaar daarvoor in Nepal hebben rondgezworven zal het wel goed komen. Vreemd genoeg was er veel interesse over en weer tussen de Fransen en ons maar stelden Colin en Karen weinig vragen. Het leek mij logisch dat als je je huis openstelde voor anderen je daar ook een zekere interesse in zou hebben maar beiden waren niet echt in ons geïnteresseerd. Wellicht hadden we buiten reizen niet dezelfde interesses (ze waren allebei Bèta mensen en gek van oude Volkswagen busjes) dus hebben we zonder verder te vragen maar van hun gastvrijheid gebruik gemaakt en heeft Brigitte twee dagen lekker gekookt. Hoewel geen enkele keer een compliment volgde likte Colin de kom spaghetti aglio olio gelijk zijn honden helemaal uit. Sara vond het helemaal geweldig gezien de honden, kippen, schommel en antieke poppenwagen van Karen. Colin spendeerde wel tijd met Sara dus een niet verwezenlijkte kinderwens leek voorhanden. Met 47 jaar leek hij niet meer aan de bak te willen, in tegenstelling tot de veel jongere Karen. Uiteindelijk zijn we drie nachten gebleven en hebben we de omgeving van Whangarei verkend. Er was overigens niet veel te zien behalve het schattige kiwihuis en het naastgelegen museumpje. Voor Sara was de rust om op één plek te zijn erg welkom en we vonden het zelf eigenlijk ook wel fijn om niets te moeten.
Brigitte wilde absoluut nog naar het strand waar de film ‘The Piano’ was opgenomen dus reden we richting de westkust naar het plaatsje Karekare bij Piha. Om het geheel een mystieke sfeer te geven reden we de laatste kilometers door mist naar beneden totdat de smalle weg plotseling ophield. De scène waarin Holly Hunter met dochter en piano aan land komen was hier opgenomen. Een uitgestrekt zwart strand, omzoomd door groen bedekte bergen. Er was verder helemaal niemand, enkel het gehuil van de wind. Deze blies zo hard dat Sara gewoon omwaaide. Aangezien er geen accommodatie in de buurt was stapten we na een half uurtje de elementen getrotseerd te hebben weer in de auto. De laatste nacht voor vertrek zouden we Maureen nogmaals verblijden met een bezoek. De kurk was van de fles en Maureen had al een paar aperitiefjes achter de kiezen. De laatste avond in Nieuw-Zeeland kozen we voor wijn- en tapastentje Didas om de hoek. Met meer dan 300 flessen op de kaart zou er vast wel iets bij zitten om ons bezoek gedenkwaardig af te sluiten. Met gejuich namen we de Spaanse sectie druivenvocht door en na een fles Protos Reserva en heerlijke tapas rolden we tevreden in bed.
Wellicht kwam het omdat we te weinig tijd voor het Noordereiland hadden genomen of omdat de indrukken van het Zuidereiland nog te veel en vers waren. In ieder geval waren we blij dat we de Air New Zealand vlucht naar Tonga konden nemen. We waren erg toe aan een weekje een eigen plekje voor ons drieën. Ook Sara leek moe van het steeds maar weer stukken rijden en ergens anders slapen. Een week in een strandtentje op Tonga kon niet op een beter moment komen en zagen we erg naar uit.
Geen reactie op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Nieuw-Zeeland.
Van Queenstown terug naar Christchurch
We wilden er maximaal drie nachten blijven maar het werden er uiteindelijk zes. Queenstown mag voor velen een vercommercialiseerd toeristencentrum zijn, wij vonden het een fijne plek om te zijn. Ons appartement lag in het centrum en was erg comfortabel. Lekker weer zelf koken en tijd om een wasje te draaien. De eerste dag scheen de zon volop en stapten we op de TSS Earnslaw, een juweel van een stoomboot uit begin vorige eeuw waar Sinterklaas hoge ogen mee zou gooien bij de Nederlandse intocht. De boottocht ging naar de Walter Peak Farm, een schitterend gelegen boerderij aan de andere kant van Lake Wakatipu. De boer in ruste Lyndsey gaf een vermakelijke rondleiding waarbij Sara de schapen kon voeren en lammetjes kon knuffelen. Als afsluiter werd een schichtig Merino schaap vakkundig door hem van zijn vier kilo wegende vacht ontdaan. De andere zonnige dag togen we naar Arrowtown, een voormalig gouddelversstadje dat grotendeels intact is gebleven. Ieder uur stopten er toerbussen vol chinezen die in sneltreinvaart over de nabijgelegen Chinese Settlement werden gejaagd om de paar gerestaureerde huisjes van hun dappere landgenoten uit eind 19e eeuw te bewonderen. Tijdens de lunch werd Sara vakkundig gekortwiekt door de lokale kapster en met een grote lolly in de hand paradeerde ze trots door de hoofdstraat. Arrowtown was een sfeervol dorpje waar je makkelijk een dag kon slijten, zeker als de zon scheen.
Queenstown was het kloppend hart van adrenaline verhogende activiteiten dus je moest niet vreemd opkijken als er weer een stel paragliders overvlogen of iemand met een parachute achter een speedboot boven het ijskoude water ging hangen. Het was ook de bakermat van de bungy jump en ik kon de verleiding niet weerstaan om ook een sprong te wagen. En hoewel er hogere (en veel duurdere) sprongen waren koos ik voor de plek met de meeste historie want de eerste sprong was van de Kawarau brug net buiten Queenstown. Hier had in 1988 de eerste commerciële bungy sprong plaatsgevonden. De beide ‘uitvinders’ AJ Hackett en Henry van Asch waren rond deze tijd ook in Queenstown om het 20-jarig jubileum te vieren. Na een fikse ruzie enkele jaren geleden die leidde tot bedrijfssplitsing zijn ze inmiddels weer on speaking terms met elkaar en sprongen ze samen breed lachend met een tandemsprong van de brug. Geen wonder, met jaarlijks meer dan 100000 gekken aan een koord zijn ze beide multimiljonair. Sara wilde ook en de alleraardigste Schotse Katherine achter de balie speelde het spel vrolijk mee. Na het officiële wegen zette ze haar gewicht met stift op de linkerhand en maakte ze een ‘boarding pass’ die Sara aan de mannen op de brug moest geven. De uiterst relaxte man op de brug was met stomheid geslagen toen hij het kaartje kreeg aangereikt en ik aangaf dat Sara eerst zou springen. Het duurde even voordat hij doorhad dat het een grap was. De minimum leeftijdsgrens was tien jaar maar hij was al een keer met zijn zevenjarige zoon tandem gesprongen. Toch net even anders dan voor het eerst met de F-jes meevoetballen. Voor mensen met hoogtevrees moet dit het ergste zijn wat er is en ik was dan ook zeer verbaasd dat Brigitte na twee dagen twijfelen ook wilde springen. We zouden die ochtend doorrijden naar Milford Sound dus het was nu of nooit. De meisjes achter de balie waren erg meelevend en toen de formaliteiten waren geklaard ging ze onder luid gejuich naar buiten. Een vijftigtal Chinezen verhoogden de sfeer aanzienlijk op het kijkersplatform toen ze vol verwachting met hun camera’s klaar stonden om haar sprong te vereeuwigen. Quinny op de brug bleek een geweldige amateur psycholoog die Brigitte naar het platformpje toepraatte. Met de geruststellende mededeling dat niets zou misgaan zou ze na zijn drie tellen kunnen springen en ze ging nog ook! Het looppad dat je van de rivier alleen omhoog loopt zou net zo goed het pad der wedergeboorte genoemd kunnen worden. Je lichaam is nog aan het bijkomen van de val en na een dergelijke overwinning op jezelf kun je alles aan. Brigitte zei achteraf dat Obama’s verkiezingsleus en uiteindelijke overwinning haar het laatste duwtje in de rug had gegeven. Obama’s overwinning hadden we overigens dankzij het tijdsverschil op woensdagmiddag kunnen volgen. Na enkele dagen zon sneeuwde het buiten dikke vlokken en met binnen de kachel op 10 schakelden we live mee met de Nieuw-Zeelandse tv naar CNN, ABC en ook Fox voor berichtgeving uit beide kampen. Uiteindelijk overheerste toch zichtbare opluchting bij de aanwezige Nieuw-Zeeland deskundigen over het resultaat. Het overschaduwde eigenlijk hun eigen verkiezingen die het weekend erna waren. De debatten waren erg saai en behalve de Maori vertegenwoordigers hadden de lijsttrekkers een hoog Balkenende gehalte, weinig charismatisch dus. Maar ook hier een drastische koerswijziging zij het dat rechts met de overwinning ging strijken.
De volgende stop was Te Anua, als basisplaats voor een boottocht door de Milford Sound. Ken en zijn Japanse partner Keiko runden een leuke B&B en gaven een forse korting op de prijs. Op NZ internetfora gaven veel mensen aan dat de Doubtful Sound even mooi is maar minder toeristisch dan de Milford Sound. Het zou voor Sara echter een te vermoeiende dag zijn om met achtereenvolgens een boot, bus, boot, bus trip de afgelegen Doubtful Sound te bereiken. Dus met de eigen auto de fantastische rit van Te Anau naar Milford gereden. De weg slingerde via verschillende landschappen langzaam richting een kale vallei met steile rotswanden waar de Homer tunnel lag. Het had maar liefst 18 jaar geduurd voordat deze eenbaanstunnel van 1200 meter lengte klaar was. Aangezien je maar om het kwartier erin kon rijden was het even wachten op het groene licht. Achter ons stapte iedereen plotseling uit met de camera in de hand om onze auto te fotograferen. Ik zocht even de Nieuw-Zeelandse Ralph Inbar achter een rots maar al snel bleek dat 3 Kea’s, de inheemse Nieuw-Zeelandse papagaai, zich op ons dak hadden genesteld. Brutale vogels met een voorkeur voor het rubber van de ruitenwissers zo bleek. Terwijl de zon al een beetje begon te branden reden we uiteindelijk de parkeerplaats bij Milford Sound op. Gezien het feit dat hier gemiddeld zes meter neerslag per jaar valt troffen we het dat we jas en paraplu in de auto konden laten. Het goede weer betekende echter ook dat ‘scenic’ vliegtuigjes af en aan vlogen. Een helikopter bedrijfje adverteerde zelfs met hun ‘picnic eco’ tour waar je na een vlucht door de Milford Sound ergens bij een meer de picknick mand kon plunderen. Waarschijnlijk dat de organische lunch ingrediënten het eco sausje van deze verder vervuilende manier van natuur genieten moesten rechtvaardigen. Er voeren verschillende boten rond maar Ken van de B&B had ons de Mitre Peak aangeraden, een kleine boot waar je niet het idee hebt alsof je aan de maandelijkse bingoavond meedoet zoals op de andere megaboten. Met zes andere passagiers konden we 2 uur genieten van de prachtige fjord die je als mens een erg nietig gevoel geeft. De hele zuidwestkust met achterland, Fiordland genoemd, neemt ongeveer 10% van heel Nieuw Zeeland in beslag en is in zijn geheel World Heritage Area. En terecht. Dit keer geen dolfijnen maar wel pinguïns en zeehonden, voor Sara uiteraard de hoogtepunten want een berg is uiteindelijk maar een berg.
Na twee dagen bij Ken en Keiko koersten we naar het zuiden richting Invercargill. Dit meest zuidelijk gelegen stadje was niet echt interessant en we besloten de Catlins in te rijden, een natuurgebied dat zich vanaf Invercargill over de zuidoostkust uitstrekte. Ken had Curio Bay als tip gegeven en dat werd ons doel. Bij het passeren van de laatste heuvel lag er een prachtige baai voor onze voeten met slechts een enkele rij huizen aan het strand. We kwamen uit bij een mooi appartement van de Duitse Dani die ooit als rugzaktoeriste hier was gestrand en een jonge boer aan de haak had geslagen, of andersom, dat werd niet helemaal duidelijk. Ze woonden zelf in een gaaf houten huis met hun twee kinderen waarvan het meisje iets jonger was dan Sara. Net als in Keikoura ging Sara er gelijk vandoor met de poppenwagen die tot bedtijd aan haar hand gekleefd zat. Ze probeerde de Duits zingende pop te imiteren en de melodie deed ons terugdenken aan een mooie avond op de camping in Townsville, Australië. Een groep backpackers bezongen destijds hun vriendin op hetzelfde ritme (denk aan voetbal en Schade … alles is vorbei) met de volgende woorden: “Du passt nie in ein 75D, Du bist flach wie der Bodensee”. Oostenrijkers met humor…
Ons appartement aan het strand was fantastisch met een enorm bed van drijfhout en een veranda die uitkeek over de gehele baai. De hector dolfijnen joegen voor je neus op vis en ’s avonds in het donker kwamen blauwe pinguïns voor ons stulpje hun jongen voeren die verstopt in het struikgewas zich luidkeels meldden. Er was verder helemaal niets. Geen TV, geen mobiel netwerk, geen winkel of café. Enkel de branding en een paar bewoonde huisjes en mini-camping. Als Sara eenmaal sliep zaten we zwijgzaam met een wijntje te genieten van zoveel rust en schoonheid. We waren al op veel mooie plekjes geweest tijdens onze reis en dit was zeker een van de hoogtepunten. In de Catlins lag ook Slope Point, het meest zuidelijke puntje van het Zuidereiland. De koude, gure wind onderstreepte het feit dat zuidelijker enkel nog Antarctica lag. En toch lag er dan weer een juweel van een café in deze geïsoleerde streek met heerlijk eten en lokale biertjes uit Invercargill (Niagara Falls Café). Sara verkende met poppenwagen de tuin vol kippen en wij konden wederom niets anders doen dan genieten. Aan de noordkant van de Catlins lag Nugget Point, niet vanwege gevonden goud maar zo genoemd dankzij kleine rotspartijen in het water. Het is ook een van de weinige plekken waar zeeleeuwen, zeehonden en pinguïns vreedzaam naast elkaar leven. De Sunny kreunde lichtelijk over de onverharde, slingerende weg naar boven maar het uitzicht was de moeite waard. Kortom, de Catlins is een absolute aanrader.
Na de Catlins was Dunedin en Otago Peninsula aan de beurt. Bovenop een heuvel op het schiereiland lag het enige kasteel dat Nieuw-Zeeland rijk is, Larnach Castle. Hier wilden we een nachtje doorbrengen maar bij aankomst waren kasteel en de tuinen wel mooi maar de gastverblijven erg oubollig en rechtvaardigden deze niet de forse kamerprijs. De inrichting had veel weg van de Bucket Residence en de Aziatische Hyacinth aan de receptie probeerde er nog wat van te maken door aan te geven dat je nergens zo in stijl kon slapen. Toch maar liever iets à la Onslow. Aangezien we verder niets leuks konden vinden tijdens de rondrit over het eiland en de beroemde albatroskolonie niet bezocht kon worden togen we naar Dunedin. We vonden onderdak in een mooi Victoriaans huis dat in een grote B&B omgetoverd was en waar Belgische Anne uit Geel de leiding had. Dunedin was vroeger een bolwerk vol Schotten, tegenwoordig is het de vierde stad van Nieuw-Zeeland en vol met studenten (overigens zijn Auckland, Christchurch en Wellington de andere noemenswaardige steden in volgorde van grootte). We konden helaas niet de sfeer terugvinden waar de reisgids zo lovend over was. Het zegt genoeg dat het hoogtepunt voor ons een bezoek aan een Japans restaurant was, verstopt in een zijweg in het centrum. Niet de geijkte lopende band met sushi bordjes maar eerder een soort van tapas principe. Allemaal kleine, heerlijke hapjes waar ook Sara zich te goed aandeed. We twijfelden nog even of we de Cadbury chocolade fabriek tour zouden doen maar met Sinterklaas in het vooruitzicht zou Sara al genoeg zoetigheid krijgen dus in de Sunny op weg naar de Moeraki Boulders. Dit is een verzameling enorme ronde stenen in de branding waarvan het net lijkt of iemand ze daar achteloos heeft neergegooid. Volgens geologen miljoenen jaren oud maar volgens Maori waren het versteende voedingsmanden die hun voorouders tijdens hun verre ontdekkingstocht per kano hadden meegesleept. Hoe het ook zij, met verder nergens een steen in de wijde omtrek een bizar fenomeen. Ook hier gold weer, een steen is maar een steen en Sara klom overal op waarna haar zoveelste ‘druppelzandkasteel’ al haar aandacht trok. Na de lunch reden we het gebied Otago in dat vroeger de vindplaats van goud was maar tegenwoordig het van wijnbouw en toerisme moet hebben. Onze rit eindigde in Clyde, een pittoresk gehucht uit de goudzoekerstijd. We namen een kamer in het Dunstan Hotel waar je het gevoel kreeg dat John Wayne ieder moment door de deur kon komen. Alles was met zichtbare liefde in oude stijl hersteld en het eigenaarskoppel was erg vriendelijk. De meeste bezoekers stoppen hier als rustplaats op de Otago Rail Trail, een dagenlang loop/fietspad waar vroeger de treinrails hadden gelegen. Behalve een korte wandeling langs enkele historische gebouwen was er verder niet veel te doen. Volgens de uitbaatster van het delicatessenwinkeltje konden we niet weggaan zonder de lokale Pinot Gris te proeven. Deze wijn is sterk in opkomst in Nieuw-Zeeland maar de Elzas variant vonden we toch lekkerder. Er was nog een nacht te spenderen voordat we de Van Udens in Lake Tekapo zouden treffen en na een prachtige rit over de Lewis Pass trokken we aan de handrem in Twizel. Dit op papier bedachte plaatsje is even oud als ik en was eigenlijk alleen bedoeld als arbeiderswoonplaats totdat de elektriciteitscentrale in de bergen voltooid was. We besloten dit keer de Lonely Planet te raadplegen en de Author’s Choice was inderdaad niet verkeerd. Net buiten Twizel lag een boerderij van een Zuid-Afrikaans-Kiwi koppel met een cottage op het landgoed. Sara had haar eigen slaapkamertje en vanaf de veranda hadden we een mooi uitzicht op Mount Cook. Met de Sunny konden we tussen de Merino schapen door over het landgoed naar de rivier om pootje te baden en Sara vond het prachtig. Ze mocht namelijk op mijn schoot zitten en sturen. Zigzaggend en onderwijl aan de radio draaiend ging ze recht op de schapen af. Even zweten zonder afgekocht risico maar gelukkig konden we de bolide zonder krassen aan de waterkant parkeren. Het weer was goed, Sara speelde met hond Gus en wij konden eindelijk weer eens een paar biefstukken op de BBQ gooien terwijl de zon langzaam achter de bergen zakte. Het leven was goed.
We zouden Chris, Anna en Dominic na de lunch in Lake Tekapo treffen dus we hadden genoeg tijd om naar Mount Cook te rijden. De waterkleur van de meren hier was ongekend blauw wanneer het zonlicht werd weerkaatst door het sediment in het ijskoude water. Net als een overdreven ‘gefotoshopte’ ansichtkaart en moeilijk op foto vast te leggen. Mount Cook lag te schitteren in de zon en leek in de verste verte niet op de meedogenloze berg die een bekende kiwi bergbeklimmer 2 weken in zijn greep had gehouden enkele jaren terug en die daarbij beide benen had verloren. In plaats van zich gewonnen te geven heeft Marc Inglis, de ongelukkige in kwestie, daarna met twee kunstbenen Mount Everest beklommen. Een ongelofelijke prestatie maar helaas resteerde hem enkel bergen kritiek, zelfs van de onaantastbare Hillary zelf die hier bij Mount Cook met een standbeeld was vereeuwigd. Inglis’ expeditie zou in de succesvolle jacht naar de top de hulpkreet van een gestrande Engelse bergbeklimmer van een andere groep hebben genegeerd wat tot diens onvermijdelijke dood had geleid. Buiten het café was er verder weinig activiteit. Na een rondgang door het mooie, nieuwe bezoekerscentrum en een lichte lunch reden we weer richting Lake Tekapo. Weg van de hoofdweg lag middenin het niets een zalmkwekerij waar Sara de visjes wilde voeren. De zalm werd gekweekt in de afwateringskanalen van de elektriciteitscentrale en was gezien de stroming en puurheid van het water van schijnbaar ongekende kwaliteit. Naast top restaurants in Nieuw-Zeeland lustte de keizer van Japan er blijkbaar ook pap van want het merendeel werd geëxporteerd voor de sushi aldaar. Brigitte liet de kans niet voorbijgaan om een bak rauwe zalm naar achteren te slaan en kon alleen maar bevestigen dat het zonde zou zijn om deze vis anders dan rauw te eten. Ik was vooral onder de indruk van de enorme regenboogforellen die buiten de netten zich volvraten met zalmvoer aangezien Sara nog niet zo goed kon mikken.
Een vakantiehuis oftewel bach (spreek uit: batch) is een fenomeen dat elke Nieuw-Zeelander lijkt te hebben, en dan het liefst aan het water. Veelal houten huisjes met beperkte faciliteiten maar wel vaak op de mooiste plekjes. Het huis van Anna’s broer was al vrij oud maar desalniettemin van alle gemakken voorzien. Wederom hoefden we niets te kopen, Chris en Anna hadden voldoende proviand meegenomen. De enige tegenprestatie die we mochten leveren was hun mee te nemen naar de lokale Japanner die uiteraard de Mount Cook zalm op het menu had staan. Smullen dus. Lake Tekapo is vooral bekend vanwege het meest gefotografeerde, eenzame kerkje aan de oever. Lastige klus voor de pastoor om iedereen bij de les te houden als je langs hem heen een fenomenaal uitzicht op de bergen hebt. Chris had de rubberboot met motor op de trailer meegenomen en Sara wilde net als Dominic op de rubber band achter het bootje getrokken worden zij het in een slakkengang. Gelukkig voor ons vond ze het water te koud en wilde ze al snel eruit. Na de BBQ worstjes ging ze zowaar lekker slapen in het tentje dat we in de schaduw hadden opgezet zodat wij ook in alle rust een boek konden lezen. Een luxe die we al tijden niet meer hadden gehad overdag.
Ik zou zo nog enkele pagina’s kunnen vullen met beschrijvingen van plekjes en natuurschoon maar realiseer me dat het veel van hetzelfde wordt. En dan moet het Noordereiland nog komen. Iedereen heeft wel eens een geweldige mop gehoord na een paar biertjes op in de kroeg waarvan je tranen in de ogen kreeg van het lachen. Als je deze de dag erna nuchter aan iemand anders vertelt is hij nooit zo goed als de avond tevoren. Kortom, je moet erbij zijn geweest om het op waarde te kunnen schatten. Zo is ook Nieuw-Zeeland. Je moet het echt met eigen ogen zien en ondergaan. Wat valt er dan nog op behalve de indrukwekkende natuur? Nieuw-Zeelanders hebben net als Limburgers een soort van minderwaardigheidscomplex dat hun ertoe dwingt bezoekers meteen te vragen wat ze van hun land vinden, ook al ben je er pas een dag. Commerciële slaapplaatsen wedijveren om de mooiste titel. Je hebt motels, hotels, B&B’s en lodges met een hele serie bijvoeglijke naamwoorden zoals ‘quality’, ‘luxury’, ‘boutique’ en ‘retreat’. De winnaar tot nu toe is een ‘luxury boutique lodge with inhouse spa’. De inhouse spa baden lijkt een ware obsessie, terwijl het niets meer is dan een polyester badkuip die een beetje bubbelt maar waardoor de prijs van een hotelkamer wel meteen fiks duurder wordt. Nergens ben ik grotere bumperklevers tegengekomen als hier. In tegenstelling tot de gigantische leegte qua wonen schurkt men lekker dicht bij elkaar eenmaal in de auto. Je koopt hier geen huis maar een ‘lifestyle’. Er staan heel veel lifestyles te koop. All Blacks, Black Caps, Tall Blacks, Silver Ferns, waar wij niet verder komen dan Oranje voor onze sportploegen heeft ieder nationaal sportteam hier een bijnaam. Behalve het badminton team. Zij kozen voor ‘Black Cocks’ om sponsors te interesseren maar kregen alleen maar hoon over zich heen en gaan nu bijnaamloos door het leven.
We hebben zo ongeveer alle hoeken van het Zuidereiland gezien en een heerlijke tijd gehad. Mede ook door het warme onthaal van de familie van Uden. Je beleeft een land toch anders als je een tijdje met wat inwoners optrekt en wat dat betreft hadden we ons geen betere gastfamilie kunnen voorstellen. We verheugden ons na slechts enkele dagen zonnig weer enorm op de tropen maar eerst nog een dikke week Noordereiland.
Geen reactie op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Nieuw-Zeeland.
Van Christchurch tot Queenstown
Nieuw-Zeeland, het andere einde van de wereld. Na een vlotte vlucht met Air New Zealand stapten we in Christchurch naar buiten in een klimaat dat frequent als ‘nippy’ zou worden betiteld. Nieuw woord voor ons maar als het betekende dat je tepels opstijven in de buitenlucht dan was de omschrijving treffend. Dora, de zus van Brigitte’s overleden opa Toon was naar hier geëmigreerd halverwege de vorige eeuw. Zij woonde hier nog steeds en zo ook haar drie zonen Barry, Chris en John. Met Barry hadden we al email contact gehad vanuit Australië en op het afgesproken tijdstip stond hij klaar op de luchthaven om ons op te halen. Barry woonde in Sumner, een kustplaatsje vlak naast Christchurch en zijn vrouw Eleanor had een lekker diner geprepareerd dat eigenlijk ‘tea’ heette. Als je hier ergens voor ‘tea’ gaat dan ga je voor het avondeten, weer wat geleerd. Chris en zijn vrouw Anna met hun achtjarige zoon Dominic waren er ook en bij hun zouden we de dagen daarop verblijven. Hun huis lag in Huntsbury, een wijk op een heuvel die uitkeek over Christchurch en de achterliggende bergen. Chris en Anna hadden eerder een Bed & Breakfast in Sumner gehad en dat was aan hun gastvrijheid en de ongedwongen sfeer duidelijk te merken. Met bergen speelgoed van Dominic, een trampoline en hond Lucky was er voor Sara genoeg om zich een aantal dagen te vermaken. Dominic vond de aanwezigheid van iemand jonger dan hij blijkbaar ook interessant want Sara kreeg erg veel aandacht van hem. De eerste week draaide om de familie van Uden. Chris nam ons mee op sightseeing in Christchurch en omgeving. Een erg engels aandoende plek met de kathedraal als middelpunt. De claustrofobische tocht via 134 trappen naar boven werd beloond met een mooi uitzicht. Na de afdaling deed onze gedeelde woonplaats met Andre Rieu wederom wonderen tijdens het gesprek met de vriendelijke maar duidelijk mentaal achtergestelde gids. En hoewel vaak verguisd in eigen streek is de langharige stehgeiger net als bij de aussies ook onder kiwi’s mateloos populair. Respect. Barry reed ons naar Akaroa, een mooi kustplaatsje dat dweepte met de enige kolonisatiepoging van de Fransen door middel van Franse straatnamen, restaurantmenu’s, etc. Dit was ook de plek waar je met kleine hector dolfijnen kon zwemmen maar alle trips waren helaas volgeboekt. Brigitte dacht troost te vinden in een winkel met allemaal spullen van merino schapen, dus ook laarzen. Maar ook daar geen geluk, haar geliefde model was in bestelling.
De zonnige maar koude dagen in Christchurch deden ons twijfelen over rondreizen met een grote camper. Wat wel duidelijk werd was dat we meer tijd op het Zuidereiland moesten doorbrengen omdat dit qua natuur meer schoonheid en vooral meer afwisseling bood volgens iedereen die we spraken. Bovendien boden Chris en Anna aan om samen met hun naar het familiehuis aan Lake Tekapo te gaan medio november, iets dat we zeker wilden meemaken. Na een paar internetsessies waren we eruit: met een huurauto vier weken het Zuidereiland verkennen en dan met een goedkope vlucht naar Auckland voor de laatste twee weken Noordereiland voordat we naar Tonga zouden vliegen. De huurauto was met afstand de lelijkste auto die ik ooit had gereden. Een tien jaar oude, poepbruine Nissan Sunny automaat maar wel in de SuperSaloon uitvoering. In elk geval meer blik om ons heen dan een nieuwe, kleine Japanner. De voorlaatste dag bij John, de oudste van de van Uden broers gaan eten. Hij woonde samen met Christine in een oud huis op een heuvel. Ze zaten midden in de verbouwing maar het resultaat mocht er al zijn. Douchen met een wijdse blik naar zee, al bleek na constructie dat automobilisten een gratis inkijk vanaf de weg hadden, schoonheidsfoutje. De laatste dag in Christchurch zijn we met Dominic naar het Antarctic Center geweest. Christchurch is de meest zuidelijk gelegen grote luchthaven en voor een aantal landen de poort naar de zuidpool. Naast de bases van de Amerikanen en Italianen lag een grote hal met daarin een mooi overzicht van poolexpedities van de allereerste (wie was dat ook alweer…juist, Amundsen) tot de hedendaagse permanente kampen. Met Sara de Antarctic Storm ingedoken waar in een afgesloten zaal een ijswind van 40 km/uur doorheen werd geblazen en de gevoelstemperatuur tot -18 daalde. Ze heeft duidelijk een voorkeur voor tropischer temperaturen en wilde snel weer naar buiten. Met Dominic een spectaculair ritje met een Hagglund voertuig gedaan over heuvels en door een diepe plas ijswater. Niet voor mensen met een zwak gestel.
Na een ontspannend weekje bij de van Udens werd het echter tijd om de rest van het Zuidereiland te ontdekken. Onze eerste stop zou Hanmer Springs worden, een soort Thermae 2000 kuuroord in de bergen. De rit ernaar toe was prachtig en iedere bocht nodigde uit tot een fotostop. Onze bolide begon vlak voor Hanmer rare kuren te vertonen en viel telkens uit onder de 1000 toeren. Niet echt handig in een bergrijk gebied met haarspeldbochten. Met kunst en vliegwerk (lees: linkervoet remmen en rechtervoet gassen) toch nog een B&B bereikt, waar we voor een vriendenprijsje een prachtige suite kregen met een drie (!) gangen ontbijt. Buiten het hoogseizoen bleek de prijs overal onderhandelbaar en kwam onze Bali ervaring goed van pas. Meteen de AA gebeld voor een reparatie afspraak voor de auto de ochtend erna. Het telefoongesprek werd een schoolvoorbeeld van hoe het niet moest dus dat voorspelde niet veel goeds. Toen de lokale garage ons uiteindelijk ’s ochtends lokaliseerde bleek type auto, kleur, kenteken en locatie volledig fout te zijn. Diegenen die mij kennen weten dat ik geen prijzen win wat articulatie betreft maar de monteur liet weten dat het niet de eerste keer was met deze volgens hem “Absolute Amateurs”. Gelukkig was de auto snel gerepareerd zodat we op weg konden via een wederom schitterende weg naar Kaikoura aan de oostkust.
Vlakbij een zeehondenkolonie lag een mooie B&B waar we met open armen werden ontvangen. Sara kreeg meteen een poppenwagen die ze vervolgens tot bedtijd niet meer uit het oog zou verliezen. Dus met poppenwagen naar de zeehonden die apathisch van het zonnetje aan het genieten waren. Het kostte moeite om Sara uit de buurt te houden. Ze zagen er lief en knuffelig uit maar het blijven roofdieren met vlijmscherpe tanden. Naast onze B&B stond een eenzaam BBQ kraampje waar Brigitte haar bord liet volscheppen met kreeft, groene mosselen, jakobsschelpen en vis. Goedkoop maar alles kakelvers uit de naastgelegen zee en volgens haar het lekkerste bord zeevoer sinds haar smaakpapillen onderscheid konden maken. Afgaande op onze ervaringen in de eerste weken was culinair gezien Nieuw Zeeland in ieder geval veel lekkerder en beter verzorgd dan Australië dus dat beloofde nog wat voor de rest van de trip. Via zonnig Picton, de schitterende Queen Charlotte Drive en regenachtig Nelson naar Golden Bay gereden. De regen klaterde op de auto en we waren erg blij dat we niet voor een camper hadden gekozen. We kozen voor een prachtige B&B dat gerund werd door een Zwitsers stel met twee kinderen. Echt een plek waar je je meteen thuis voelde. Het was even wennen aan de compost toiletten, een fenomeen dat meerdere huizen en cafés in de regio geïnstalleerd hadden volgens Beat de eigenaar. Klep open, zitten en een paar schepjes zaagsel gooien op wat je achterliet. Het stonk helemaal niet en het enige wat je niet moest doen was naar beneden kijken als je de klep opendeed. Nadat ik de aanwezige bijbel op compostgebied had doorgespit (voor de liefhebbers, hier is de link) was ik overtuigd. Mochten we ooit nog zelf bouwen dan wordt dit ons toilet. Het hele gebied was verder prachtig qua natuur. We maakten onder andere een tocht naar Wharariki Beach, een van de meest gefotografeerde stranden en nagenoeg verlaten. Het is moeilijk om de natuur in Nieuw Zeeland in woord of film te bevatten. Het is groots en vaak adembenemend, iets dat je zelf moet zien om het werkelijk te kunnen bevatten. Sara had geen problemen om voor het eerst in een eigen, groot bed te slapen zonder slaapzak. En terwijl zij vredig lag te dromen van de vele schapen genoten wij ’s avonds bij het open haardvuur van elkaar en de heerlijke Sauvignon Blanc uit de naastgelegen Marlborough streek. Ondanks de regen waren het mooie dagen aan de noordkust.
We hadden een weekend gepland met Barry en Eleanor bij hun huisje aan de westkust en aangezien de regen weer met bakken uit de lucht viel reden we het hele stuk in een keer naar de kust waar we nog een nacht te spenderen hadden voordat we de Van Udens weer zouden ontmoetten. Uiteindelijk belandden we vanwege de intrigerende naam in Cape Foulwind. Onze Sunny had het zwaar in de regen en stevige wind maar bracht ons in een mooie baai waar surfers de woeste golven trotseerden die op de rotsblokken kapot beukten. En alleen in de baai lag een schitterend gelegen restaurant waar het eten weer geweldig lekker was. We keken dan ook niet op toen we achteraf te horen kregen dat dit een veelgeprezen eetgelegenheid in Nieuw Zeeland was.
Het vakantiehuis van Barry en Eleanor lag op een heuvel in een dorp dat nog slechts uit een paar huizen bestond. De westkust stond schijnbaar bekend om de geslotenheid van de mensen en ook in Millerton namen de inwoners graag het eigen heft in handen. Toen bekend werd dat een drugshandelaar interesse had in het huis naast Barry’s werd dit in een mum van tijd vakkundig gesloopt van iedere waarde. De bouwval ligt er nog steeds onverkocht bij. Marihuana wordt overigens veelvuldig geteeld en gebruikt aan de westkust. Hier komt ook de Aotearoa Legalise Cannabis partij vandaan die aan de verkiezingen op 8 november meedoet en het Nederlandse koffieshop model propageert. Een eye-opener voor ons in een land waarvan wij dachten dat naast de All Blacks rugbyers de overgang van de seizoenen de enige opwinding was. In de korte tijdsbestekken dat het droog was kon Barry ons de omgeving laten zien. Kabbelende beekjes en kwetterende vogels in de bomen waren de enige geluiden die de totale stilte doorbraken. Nauwelijks te geloven dat er bovenop de berg nog steeds open mijnbouw was met Japan als belangrijkste afnemer van de steenkool. Qua eten hoefden we alleen maar aan te schuiven want Eleanor had de koelkast goed gevuld.
Na een nachtje bij de Pancake Rocks om de toeristenbussen overdag te mijden wilden we graag beide beroemde gletsjers van dichtbij zien. De kustweg ernaar toe was wederom van grote schoonheid. In de regen bereikten we de Franz Josef Glacier en het gelijknamige dorpje als eerste waar we weer voor een zacht prijsje een mooie kamer in het Rainforest Retreat boekten. Het hele gebied is World Heritage Area en het wordt saai maar ook hier weer ongekend landschappelijk schoon. Bij het ontwaken liet de zon zich voor het eerst in dagen weer zien, met de nodige gevolgen. Bij het naar buiten gaan ontbrak nog net het “Suicide is painless” van MASH. Van alle kanten klonk namelijk het geluid van opstijgende helikopters die voor forse bedragen toeristen over de gletsjers vlogen. De Franz Josef gletsjer was helaas niet van korte afstand te bewonderen doordat de hevige regenval de gletsjerrivier tot een woeste stroom had omgetoverd. Sara vermaakte zich echter opperbest met het stapelen van stenen. Tijdens onze wandelingen hadden we haar inmiddels ingewijd in het fenomeen Sinterklaas en het vooruitzicht van cadeautjes liet haar niet los. Educatief waarschijnlijk volledig fout maar de Goedheiligman wordt nu veelvuldig misbruikt om haar weigermomenten qua melk drinken in ons voordeel te beslissen. Het dorpje Fox Glacier was nog kleiner maar wel sfeervoller. Na het inchecken in het comfortabele motel gingen we op weg naar de hoofdattractie. De wandeling naar de Fox gletsjer eindigde bij een touw met bord dat waarschuwde voor gevaar van mogelijke steenval dat door vrijwel iedereen werd genegeerd. Met Sara in de nek over de keien en beekjes naar de gletsjermond gelopen waar we enkel eerbiedig onze adem konden inhouden bij de aanblik van 13 kilometer lang natuurgeweld.
Na een hele week zonder speeltuin werd het stilaan tijd om Sara weer eens te laten rondrazen en zetten we koers naar Wanaka als laatste stop voor Queenstown. Wanaka ligt aan een prachtig turqoise meer en ademt volgens velen de sfeer van Queenstown twintig jaar geleden uit. Maar dat zijn vooral de inwoners van Wanaka die dit roepen om Queenstown’s vermeende overcommercialisatie te onderstrepen. Zoals in ieder plaatsje in Nieuw Zeeland lag ook hier een mooie, verzorgde speeltuin. Sara was door het dolle heen toen ze eindelijk weer eens kon schommelen en glijden. We vonden de grote dinosaurus zelf ook erg leuk om vanaf te glijden wat enkele meewarige blikken van passanten opleverde. De dag eindigde heerlijk relaxed door samen buiten te weken in de macuzzi oftewel Sara’s benaming voor een bubbelbad van de prachtige lodge. De volgende stop zou Queenstown worden waar we enkele dagen wilden verblijven en ik mijn langgekoesterde wens om te bungy jumpen kon waarmaken.
Lees verder…
3 reacties op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Nieuw-Zeeland.
Cairns naar Sydney
De vertraagde vlucht vanuit Melbourne landde om 0130 uur ’s nachts in Cairns maar de temperatuur was nog warmer dan Melbourne overdag, welkom in de tropen. We hadden gelukkig van tevoren een kamer geboekt bij wederom een Nomads hostel en er kwam daadwerkelijk nog een busje opdagen ook om ons op te halen. In de auto kwamen we erachter dat er twee Nomad hostels waren en wij in het verkeerde busje zaten. “No worries”, zei de jonge chauffeur Dave en wees eerst twee Duitse backpackers bij hostel nummer 1 de weg voordat hij naar ons hostel zou rijden. Toen 15 minuten voorbij waren en Dave nog steeds niet terug was ging ik even binnen polshoogte nemen. De hoek om liep ik in een walm van alcoholdampen en sigarettenrook en ontwaarde vage contouren van ladderzatte, piepjonge meisjes en jongens die lallend over elkaar heen kronkelden in het zwembad met Dave op de kant die twijfelde of hij iedereen op het droge moest proberen te krijgen of zelf ook maar een nat pak moest halen. Hij was ons simpelweg vergeten en met het schaamrood op zijn donsbehaarde kaken reed hij ons naar het andere hostel dat gelukkig baadde in rust. Uiteindelijk lagen we pas om 0230 uur in bed. We hadden weer een familiekamer met 1 groot bed en 6 stapelbedden dus Sara wilde eerst weer even klimmen voordat ze ging slapen. De dag erna de camper opgehaald, weer een Toyota maar dit keer een stuk ouder. Hoewel deze duidelijk sporen van gebruik vertoonde en langzaam met pensioen kon gaan zou het bed een stuk comfortabeler blijken dan het nieuwe model aan de westkust dus we hadden niet veel te klagen. ’s Middags vanuit Cairns een stukje naar het noorden gereden en een kleine camping met zwembad en glijbaan gevonden waar Sara telkens vanaf gleed om vervolgens kopje onder te gaan waarbij een van ons haar weer boven viste. Ze vond het geweldig en de oudere kinderen om haar heen ook. We zaten midden in de schoolvakantie in Queensland en de camping was gevuld met veel kinderen zodat Sara weer even leeftijdgenoten om zich heen had. Ze viel erg op tussen de andere kinderen vanwege haar zongebruinde huid, iets waar men hier panisch over is. De ozonlaag is aan deze kant van de wereld op zijn dunst en de zon wordt afgeschilderd als een echte koperen ploert waar je beter zonder kan. Anders dan in bijvoorbeeld Azië brandt de zon hier veel meer. Alle kinderen lopen rond volgens het “slip, slop and slap” principe: “slip on a t-shirt, slop on lots of sunscreen and slap on a hat”. Ook wij lieten Sara sinds Coral Bay aan de westkust in UV werend t-shirtje en bandana rondlopen als de zon fel werd. Wat ook opviel is de hoeveelheid kinderen die te dik zijn. Australië is de VS schijnbaar voorbijgestreefd qua aantal mensen met overgewicht en een recent onderzoek hier voorspelde onlangs dat in 2010 suikerziekte onder kinderen als gevolg van overgewicht met 400% zal toenemen. Fast food is overal voorhanden maar ook in de gewone restaurants zijn de porties vaak enorm. Die keren dat wij een restaurant bezochten gingen de borden halfvol terug naar de keuken. Bij het ophalen van de schone was in het washok was er nog even consternatie aangezien een forse slang zich blijkbaar onder de machines had opgehouden. Waar bij ons een harig spinnetje al doodskreten ontlokt doen Australiërs over het algemeen erg laconiek over hun indrukwekkende hoeveelheid giftige dieren. Zo ook de vrouw die het reptiel had ontdekt tegen Brigitte: “no worries, love, it’s just a brown one, nasty bite but it won’t really kill ya”. Wellicht had ze haar bril niet op want achteraf googlen op brown snake deed ons toch nog even schrikken. Overbodig te melden dat in het vervolg Brigitte of ik altijd even zou rondkijken voordat een wasje werd gedraaid in de tropen.
Brigitte’s verjaardag wilden we een speciaal plekje en reden we naar Cape Tribulation in het Daintree National Park. Cape Tribulation, oftewel Cape Trib, is de enige plek waar oeroud regenwoud en Great Barrier Reef elkaar ontmoeten. Het pontje over de rivier de Daintree was een leuke entree. De Daintree is rijk gevuld met ‘salties’, de meest agressieve krokodillensoort die overigens geen problemen heeft met zoet of brak water. Deze krokodillen komen in het tropische noorden grofweg voor van Rockhampton aan de oostkust tot aan Broome aan de westkust tot zo’n 300 km landinwaarts. De waarschuwingsborden zijn legio aanwezig en de laatste dode dateert alweer van 2005. Toch is in de periode dat wij er waren een gepensioneerde visser genaamd Harry in noord Queensland door Charlie de beruchte 7 meter saltie verorberd terwijl hij de krabnetten aan het controleren was. Het nieuws heeft de kranten dagenlang gedomineerd en toen Charlie uiteindelijk werd gelokaliseerd was de trouwring op de röntgenfoto voldoende om arme Harry te identificeren. De discussie laaide weer op om alle krokodillen in een reservaat te duwen. Dieren die 60 miljoen jaar evolutie nagenoeg ongewijzigd hebben doorstaan zouden vanwege een te argeloze visser opgesloten moeten worden. Een belachelijk voorstel dat hopelijk nooit uitgevoerd zal worden. Bedenk trouwens bij het bekijken van de foto met krokodil dat ik geen zoomlens had.
Na de lunchstop bij het informatie centrum namen we nog een frisse duik in een nabij gelegen kreek die krokodilvrij was. De drang naar een Tarzan imitatie om mijn dochter te imponeren (of mijn vrouw?) was groter dan mijn afkeer voor het koude water en met een oerkreet zwiepte ik het stromende beekje in. Sara vond het allemaal prachtig en zwom stoer rondjes tussen de talloze vissen. Volgens het meisje bij het info centrum was de rainforest hideway B&B het meest speciale plekje maar altijd vol. Op goed geluk ernaar toe gereden en er was zowaar nog een plekje vrij. De rainforest hideaway is een geweldig onderkomen in de jungle. Alles is uit materiaal van diezelfde jungle gemaakt door Rob, de Nederlandse eigenaar. Brigitte werd meteen op korte afstand gevolgd door een cassowary, een emu achtige vogel die enkel in Queensland voorkomt en waarvan er nog slechts 1500 rondlopen. Het zou niet de laatste fauna zijn die over onze weg kwam. Groene padden, brush turkeys en giga spinnen maar wonderlijk genoeg geen enkele mug gezien. Brigitte’s verjaardag vierden we eerst op het prachtige strand met champagne en daarna heerlijk gegrilde lokale barramundi vis met een lekker flesje verdelho in het enige restaurant van betekenis. Het was een mooie dag op een magische plek.
De volgende stops werden Townsville en Mission Beach. Volgens de reisgids was Townsville een kwestie van het gaspedaal indrukken en vooral doorrijden. Na de westkust hadden we steeds minder vertrouwen in de Rough Guide gekregen en ons bezoek aan Townsville bevestigde dit nogmaals. Townsville bleek een aardig stadje te zijn dat flink haar best deed bezoekers te lokken en vooral te laten blijven. Er was een lange wandelboulevard, een gratis groot zoutwater zwembad en een gratis waterpretpark waar Sara maar niet genoeg van kon krijgen. De camping was rommelig maar erg gezellig met divers pluimage in de tenten om ons heen. Petanque spelen met de geëmigreerde Fransen Eric en Thierry (en nog winnen ook!), voetbaltrivia testen met een geflipte sportfanaat uit Adelaide en als buren moeder met dochter die hun hele hebben en houden in Perth hadden verpatst en hun geluk aan de oostkust zochten. Eigenlijk zijn er slechts twee soorten reizigers, zij die reizen om te herinneren en zij die reizen om te vergeten.
South Mission Beach was daarentegen het tegenovergestelde. Onze camper op de enige camping geparkeerd wat een Big4 bleek te zijn. Dit is een nationale keten van luxe en dus dure campings die volledig familie georiënteerd zijn. Na een paar nachten aan de westkust hadden Brigitte en ik een gezonde aversie gekregen voor deze caravan resorts. Alles was overgeorganiseerd, de mensen overal het algemeen minder vriendelijk en er ontbrak een echt camping karakter. Voor Sara echter een paradijs want er was uiteraard van alles voor kinderen. Aan de oostkust waren veel meer campervans met toeristen uit Europa dan aan de westkust. Je merkte het gelijk in de campingkeuken. Een Australiër begint gewoon tegen je aan te lullen, met een biertje in de hand de burgers draaiend. De Europeanen staan zwijgzaam hun potje te koken. Na een dagje glijbanen en springkussens snel doorgereden naar Airlie Beach als stopplaats voor een zeiltrip naar de Whitsunday eilanden.
Bij het shoppen naar een leuke boot bleek dat er slechts twee waren die kinderen van Sara’s leeftijd accepteerden, een flitsende catamaran en een 3-master schoener. Uiteraard voor de schoener gekozen die op papier veelbelovend uitzag. Het betekende wel eerst nog een paar dagen chillen in Airlie Beach voor vertrek wat niet moeilijk was gezien de aanwezigheid van een heerlijk groot zout water zwembad met speeltuin en park eromheen. Sara wilde voor het eerst naar de kapper want ze weigerde nog langer staartjes te dragen en liep constant met de neus in de lucht om onder haar pony te kunnen kijken. Zwemmen in de zee begon overigens steeds linker te worden met de nakende start van het ‘marine stinger’ seizoen. Dit zijn een stuk of zes verschillende kleine kwallen waarvan de aanraking varieert van heftige jeuk tot verbranding en zelfs dood als er niet snel hulp zou komen. De eerste actie is altijd azijn op de pijnlijke plek om de aanwezige tentakels weg te spoelen. Overal op de stranden in Queensland staan daarom houders met azijnflessen om het eerste leed te verzachten. De enige manier om in zee te zwemmen was dobberen in speciaal afgezette stukjes zee of een wetsuit huren. Op vrijdagmiddag meldden we ons in de haven voor een tochtje van 3 dagen en 3 nachten naar het Outer Great Barrier Reef met de Whitsunday Magic. Onze houten hut lag helemaal achterin en had naast een 2-persoons bed nog een additioneel bedje voor Sara boven ons voeteneind. Een minuscuul toilet annex douche gaf het geheel een speciaal karaker. De boot kon 32 passagiers hebben maar de groep bestond gelukkig maar uit 24 personen anders zou het een beetje krap zijn geweest. Het was een mix van Europa, Australië en Nieuw Zeeland. De aanvankelijke vrees van velen toen ze hoorden dat er een 2-jarige mee ging verdween als sneeuw voor de zon toen Sara eenmaal aan boord kwam. Ze pakte iedereen in met haar charme en bij het afscheid zou ze zelfs verschillende cadeautjes krijgen. We wisten zelf ook niet hoe het zou uitpakken op een boot met relatief weinig ruimte en geen speeltuin of strand maar Sara vermaakte zich opperbest met bemanning en gasten. We hadden achteraf gezien geluk dat vanwege de sterke wind en woeste zee de Outer Reef trip gewijzigd werd in een eilandentrip. Dit betekende dagelijks ergens aanmeren en op het strand of bos tijd doorbrengen in plaats van de hele dag op de boot. Het schip ging ’s avonds telkens voor anker in een verlaten, beschutte baai. Het eten aan boord was fantastisch. De kok had het vak geleerd in een Michelin restaurant in Engeland en zelfs met Gordon Ramsey gekookt. Zijn tijd op de boot was bedoeld om even te ontstressen van het keiharde leven in de keuken. Anthony was een ware kunstenaar in de kleine kombuis en toverde heerlijke verse snacks en gerechten op tafel. Sara ging na het eten iedere keer lekker slapen zodat wij tijd hadden om de goed gevulde wijnvoorraad te proberen samen met de andere gasten. Met twee stelletjes hadden we een heel goed contact. Paul en Helen uit London en Juanjo en Marisa uit Madrid. Bij beiden was een duidelijke kinderwens te merken en Sara kreeg dan ook alle aandacht. Zelf nam ik de gelegenheid om twee introductieduiken te doen met Chris, de kiwi PADI duikinstructeur aan boord. Na kennismaking met apparatuur en de nodige signalen voor onderwater communicatie doken we vanaf een van de strandjes langzaam naar zo’n 11 meter diepte. Het koraal was ontzettend gaaf qua vormen en kleur en toch wel mooier dan in Maleisië. Aangezien alles soepel verliep onder water nam hij me mee door een spelonk naar een open ruimte waar een enorme vis de baas was, een Napoleon Maori Wrasse die Elvis werd genoemd. Deze knaap was ruim anderhalve meter lang (ze kunnen tot 229 cm groot worden) en leek Chris goed te kennen. Chris voerde hem stukjes garnaal die hij gulzig uit de hand at. Een geweldige ervaring om zo dicht bij een roofvis van dat formaat te komen. Ik merkte wel dat ik regelmatig om me heen zat te kijken in het oneindige blauwe en achteraf hoorde ik dat de andere duikers dat ook hadden. Met dank aan Steven Spielberg’s Jaws natuurlijk. Het duiken smaakte wel naar meer en de bedoeling is om alsnog mijn PADI op Samoa te halen. De laatste dag meerden we aan bij Whitehaven Beach, het bekendste sneeuwwitte strand van de Whitesundays. Sara werd bezig gehouden door Nathalie, een jonge vrouw uit London. Zij moest eigenlijk niets van kinderen hebben maar begon door Sara serieus nestdrang te ontwikkelen. Geld was geen probleem, alleen een man ontbrak in het plaatje. Zij presteerde het om twee keer achter elkaar een zesdaagse trip op de boot te boeken en zodoende haar 2 weken Australië enkel op het water door te brengen. De kans dat een vrijgezel een dergelijke boot boekt tussen de honeymooners was natuurlijk erg klein dus stortte ze zich vol op de bemanning. ’s Avonds zat ze dan ook volledig opgedirkt met de hoge hakken aan de dis. Sara was helemaal in de ban van haar en als het even lukt spreken we nog snel wat af in London op de laatste dag voordat we thuiskomen. Wij kregen van kok Anthony de bekendste erfenis van de Engelsen in hun kolonies geleerd, cricket. Ondanks de fantastische setting op het strand werd het duidelijk dat dit een spel was voor sporters die liever lui dan moe waren.
Na de zeiltocht zaten we eerlijk gezegd even in een kleine dip. Cape Trib en de Whitsundays waren absolute hoogtepunten en we zagen een beetje op tegen de reis verder naar het zuiden aangezien het steeds toeristischer zou worden. Het was ook alsof de harde schijf vol was met geweldige indrukken en geen ruimte meer voor nieuwe beelden. We overnachtten wel nog in Rainbow Beach maar besloten om Fraser Island links te laten liggen. Bij het binnenrijden van Caloundra ten noorden van Brisbane aan de Sunshine Coast, kregen we benauwende Spaanse Costa visioenen en snel reden we rechtsomkeer het binnenland in naar de Australia Zoo van wijlen Steve Irwin. In deze dierentuin zijn behoudens enkele olifanten en tijgers enkel dieren te zien die in Australië voorkomen. Dat varieert van ’s werelds meest giftige slang (een beet kan tot wel 100 volwassen mensen doden) tot kamelen. Australië is inmiddels het land met de meeste kamelen en exporteert deze zelfs naar Arabische landen. Centraal stonden natuurlijk de krokodillen waar Steven Irwin bekend van is geworden op tv. Middenin het park lag het zogenaamde Crocoseum, een stadion waar menig eerste divisie voetbalclub in Nederland jaloers op zou zijn. Hier werden dagelijks twee shows opgevoerd door de ‘Crocmen’, een eco variant op de Village People en natuurlijk stunts met krokodillen. De marketing rond de familie Irwin werkt op volle toeren na Steve’s dood. Er zijn 3 kledinglijnen van vrouw Terri en dochter Bindi die ook een eigen kindershow op tv heeft. De souvenirwinkels puilden uit met allerlei prullaria dat blijkbaar goed verkocht. Ik twijfelde nog even of ik wakker wilde worden met Steve’s “Crikey, what a beauty” maar liet uiteindelijk de wekker toch maar liggen. De dierentuin was erg mooi in elkaar gezet en ondanks de drukte was er genoeg ruimte om alle dieren te zien. Hoogtepunten voor Sara waren de loslopende kangaroes en een knuffelsessie met een heuse koala.
We hadden behoefte aan een plek waar we weer eens twee nachten konden blijven en we kozen voor Byron Bay, het bekende hippie bolwerk uit de jaren zeventig. Volgens velen allang niet meer wat het was en eerder een yuppie trekpleister om de nieuwste auto te showen. Ondanks schoolvakantie was er was gek genoeg plaats op een camping in het centrum en we parkeerden naast een paar tenten met surfers en hun gezin. Dat zag je veel in Byron Bay, surfers op leeftijd met kinderen in hun kielzog. De overwegend blonde, strakke vrouwen gingen ’s ochtends joggen en ’s middags shoppen. De mannen letten op de kids intussen biertjes drinkend en stoere verhalen vertellend en eigenlijk wachtend tot er goede surfwind was. Die was er niet dat weekend zodat iedereen de planken weer onverrichterzake kon inpakken. Wij vonden het een erg leuk plaatsje met sfeervolle winkels, restaurantjes en excentrieke mensen. We troffen het dat op zondag de maandelijkse markt was. Allerlei kraampjes met heerlijk eten, leuke hebbedingetjes en veel live muziek met de Perch Creek Jug Band als hoogtepunt. De leden leken zo weggelopen uit de oude EO-serie ‘de Waltons’ en presenteerden zichzelf als ‘good old fashioned inbred hilbilly music’. Niemand kon uiteindelijk stil blijven zitten en Sara kon zich dansend helemaal uitleven. Met het zonnetje op de kop een heerlijke dag etend en slenterend doorgebracht.
De laatste dagen voor Sydney wilden we doorbrengen in Hunter Valley, het wijngebied op twee uur rijden van de metropool. Nog een keer het stof van de Rough Guide geveegd en hun aanbeveling gecheckt bij het infocentrum van de streek. De ‘Cedar Creek Cottages’ bleek inderdaad een geweldige keuze te zijn. Geografisch gezien officieel net buiten de Hunter Valley maar wel een eigen organische wijngaard met Semillon, Chardonnay, rosé en een fantastische rode wijn van een druif genaamd Chambourcin. Ons twee slaapkamer huisje was erg comfortabel en keek uit over de wijngaard. Ontbijt op de veranda en ’s middags enkele wijngaarden bezocht.’s Avonds lokale kaasjes met de Chambourcin bij de open haard. Bijzonder romantisch en heerlijk toeven na weken leven in een paar vierkante meter in de camper.
Eindelijk de camper op vrijdag ten noorden van Sydney ingeleverd en met de veerboot van Manly naar Sydney gevaren. Hierdoor kreeg je een mooie eerste indruk van Sydney vanuit het water met het Opera House en de Harbour Bridge als absolute eyecatchers. Ons hotel lag buiten het centrum op de grens van Pott’s Point en Darlinghurst. Leuke wijken met restaurantjes en cafés waar we bij ‘Madcafé in Italy’ in Victoria Street de beste pizza sinds jaren hebben gegeten. Via Paul en Helen op de boot hadden we de tip gekregen om een fietstour in Sydney te doen. En zo zaten we op zaterdagochtend op een hippe tweewieler en kregen we een mooie vijf uur durende tour voorgeschoteld langs Sydney’s highlights. Niet alleen de bekende iconen zoals Opera House en Harbour Bridge maar ook de oudste pub met een cel onderin voor dronken klanten. Komend uit een fietsnatie was het vreemd om te zien dat er volwassen mensen in de groep waren die nauwelijks konden fietsen wat resulteerde in een langzaam tempo en halsbrekende toeren met stoppen en afstappen. De laatste avond liet Brigitte zich heerlijk masseren bij een Body Spa om de hoek, nog een afscheidscadeautje van haar vriendinnen terwijl Sara en ik nog wat Skypten met het thuisfront en kanalen zapten op de 60 inch LCD op de hotelkamer. Sydney was een geweldige stad en twee dagen was veel te kort gebleken. Hier komen we zeker nog een keer terug. Nieuw Zeeland wachtte echter en Brigitte’s familie in Christchurch zou de eerstvolgende stop worden.
Waarom heet Burger King niet Burger King zoals elders in de wereld maar Hungry Jack’s? En waarom wordt tennis op hardcourt gespeeld terwijl het hele land vol gravel ligt? Natuurlijk geen prangende vragen die roepen om een oplossing maar zomaar wat observaties down under. En als je denkt dat je engels ok is kijk dan eens of je de volgende zin in ‘strine’ (het woord ‘Australian’ uitgesproken met een zwaar down under accent) begrijpt: “Hey you waxhead, get off them pokies and take my ute to the bottle shop for some stubbies and throw ‘em in the esky before we head down to the byo barbie at the beach, today is my shout”.
Bovenstaande zin betekent overigens vrij vertaald: he surfer, laat die gokmachines met rust en pak mijn pick-up auto naar de slijter, haal wat flesjes bier en gooi ze in de koelbox voordat we naar de barbecue op het strand gaan, vandaag is het mijn beurt om te betalen. BYO staat voor ‘bring your own’ en betekent dat je jouw eigen alcohol (vaak wijn maar geen bier) kan meenemen naar een restaurant of eetgelegenheid.
Australië was simpelweg fantastisch. Meer dan 8000 kilometer gereden en toch maar een fractie van dit overweldigende land gezien. Een land vol schitterende natuur, prachtige dieren en erg vriendelijke mensen. Hoewel de meeste highlights aan de oostkust lagen vonden we de westkust toch authentieker en ruiger. Achteraf gezien was een 4WD met tent een betere keuze geweest om ook in de meer afgelegen plekjes te komen. Voor een eerste keer echter was het een onvergetelijke ervaring om het land per camper te verkennen. We hebben helaas weinig meegekregen van de Aboriginal cultuur. Aan de kusten was er bar weinig aandacht voor. De meeste Aboriginals wonen in het afgelegen reservaten in het binnenland en het noorden. De volgende keer gaan we dan ook zeker een keer de echte outback in.
Coral Bay, Southwest en Melbourne
Na Exmouth gingen we nog een keer langs in Coral Bay en nu was er wel plaats. Coral Bay bestaat uit niet meer dan 2 campings en een paar hotels, er staan vrijwel geen huizen. Klinkt heel toeristisch maar door de kleinschaligheid is het toch een erg mooi plekje aan een schitterende baai zonder Zandvoort-bil-aan-bil taferelen. Snorkelen was ook hier weer geweldig en bij onze ochtendwandeling dook er wederom een dolfijn op, dit keer vol op jacht naar vis. En die zat er in overvloed. De hele dag zwommen enorme white snappers vlak langs het strand die bij nader inzien dagelijks in de namiddag gevoerd werden. Sara wilde ze meteen aaien maar aangezien ze niet voor niets snappers heten konden we haar gelukkig op tijd tegenhouden. Net als het dolfijnvoeren in Monkey Mia toch wel een dubieuze toeristentrekker. In Coral Bay ontmoetten we ook weer John en Doreen, het seniorenkoppel uit Melbourne waarmee we van plaats hadden gewisseld op de camping in Exmouth. Je zou denken dat reizende oudjes als hun bij de dag leven en doen waar ze zin in hebben maar het tegendeel bleek waar. De dag bestond uit allerlei routine klussen zoals supermarkt, afwassen, auto/caravan wassen die stipt werden uitgevoerd. Om bij te komen hadden ze een ‘free hour’ van 1700 tot 1800 ingebouwd wanneer ze niets deden behalve met de (klein)kinderen bellen, ook routine dus eigenlijk. Het waren hele lieve mensen waar Sara ondanks de taalbarrière goed mee klikte en die voor even de surrogaat opa en oma rol met graagte op zich namen. Mede ook door hun twee zijn we uiteindelijk vier dagen in Coral Bay gebleven. Toen werd echter hoogste tijd om richting zuiden te gaan anders bleef er te weinig tijd over om het zuidwesten nog te zien.
Ik weet niet of het de zelfgebrande muziek CD’s waren of dat het witte camperpaard de stal rook maar dezelfde weg terug naar Perth verliep verbazingwekkend sneller. Waar overigens bij ons onder autoverkopers het adagium geldt “met een witte blijf je zitten”, is het hier niet alleen qua seizoenen de omgedraaide wereld. Iedere tweede auto is wit en iedere derde auto is een Toyota Landcruiser, in allerlei soorten en maten. De beoogde lus terug naar Perth via Kalgoorlie en Esperance was te ver dus besloten we in Perth op bezoek te gaan bij de familie Janssen. Vianne en Peter hebben een tijd geleden hun huis in St Pieter in Maastricht verkocht, de inhoud in een grote container verscheept en zijn met de kinderen Pjotr en Bibiche en koningspoedel Kanuche (?) naar Perth geëmigreerd. Veel verder weg kun je niet gaan. Om de overgang niet te groot te maken hadden ze hun intrek genomen in Subiaco, een leuke buitenwijk en volgens Peter gewoon het St Pieter van Perth. Heerlijk om weer even in eigen taal te ouwehoeren en dezelfde humor te delen. Sara werd wild van de enorme voorraad bewaard speelgoed van Bibiche en wij lieten ons heerlijk verwennen in het voorjaarszonnetje. Voor de lunch en avondeten gebleven en afgesproken na ons rondje zuidwesten weer langs te gaan.
Vanuit Perth in een keer naar Albany aan de zuidwestkust gereden. Het landschap onderweg was weer heel anders dan het noorden, grote bossen afgewisseld met uitgestrekte weilanden vol schapen. In Albany was het koud en guur maar de prachtige kustlijn en woeste zee vergoedde veel. Sara had natuurlijk de speeltuin al lang voor ons ontdekt en was niet meer te houden na een dagje rijden in de camper. Doordat het vroeg donker werd en het te koud was om buiten te zitten lagen we al om 2000 uur onder de slaapzak naar een van Peter’s geleende DVD’s te kijken terwijl op de achtergrond de zee op het strand beukte. Alleen het haardvuurtje ontbrak om het idyllische plaatje compleet te maken. De volgende dag voor het eerst regen in de volgende stop Denmark. Maar, na 4012 km eindelijk ook levende kangeroes! Denmark is een klein maar relaxed plaatsje omringd door bossen en een indrukwekkende kustlijn met rotsformaties waar je plaatjes van kan blijven schieten. Er zijn weinigen die de aanwezige hoeveelheid schapen meteen in verband zouden brengen met schoenen maar Brigitte zag in ieder beest een paar Uggs. Dus een gravel weg ingeslagen naar de familie Jassi waar ze in hun atelier laarzen vervaardigen van hun eigen kudde. Helaas geen paar meer in haar maat maar wel een paar voor Sara gekocht voor de koude dagen die nog zouden komen.
Op weg van Denmark naar Margaret River een tussenstop gemaakt bij de Walpole Tree Top Walk. Dit ligt in een stuk oerbos met bomen die alleen nog in deze regio groeien en wel 400 jaar oud kunnen worden. Brigitte’s hoogtevrees werd danig op de proef gesteld met een looppad dat tot 40 meter hoog ging, zeker toen de loopbrug begon te wiebelen door de wind. Ze kon alleen maar strak vooruit kijken en in versnelde looppas de uitgang zoeken. Sara vond het allemaal wel spannend. Het is dan ook een vreemde ervaring om in de kruin van een boom te staan terwijl naast je een papagaai zijn lunch verorbert.
Het gebied rond Margaret River staat bekend als wijngebied en doet qua landschap een beetje aan de Vogezen in Frankrijk denken. Je kon hier kamperen bij de boer en aangezien het laagseizoen was konden we onze eigen plek uitzoeken. Er liepen wat ezels, paarden, schapen en koeien rond en Sara mocht mee helpen voeren. Een van de ezels was wat ongeduldig of had slecht zicht maar resultaat was dat hij Sara’s vinger voor stro aanzag. Haar schreeuw deed de handvol aanwezigen op de camping naar voren snellen en met zoveel troostende mensen en een ijsje was de pijn snel verdwenen. De ezel had gelukkig niet doorgebeten. Na een prachtige tour door het wijngebied parkeerden we de camper bij een van de grotere wijngaarden, Howard Park. We waren de enige bezoekers en met Sara druk bezig in de kinderspeelhoek konden wij rustig nippen aan alle wijnen, vooral de wijnen die niet in de winkel te koop waren. Met een paar flessen heerlijke Sauvignon Blanc mee als bedankje voor onze logeeradressen in Perth en Fremantle kropen we met tegenzin weer achter het stuur. Het werd snel donker en had ik geen trek in een kangaroe op de motorkap met een (klein) glaasje op.
De camper moest gewassen terug naar het depot in Perth en we besloten een nachtje bij Gerard door te brengen zodat we tijd genoeg hadden om ons huis weer schoon af te leveren. Het weerzien was hartelijk en Gerard was goed opgeschoten met de verbouwing. We moesten in de tuin naar het toilet en douche maar alles was acceptabel bij de gedachte aan een zacht, echt bed. Astrid had voor iedereen lasagna gemaakt en Larry lag nog in de kreukels van zijn eerste werkdagen voor Australian Mail als ‘postie’. De vrouwen in de keuken, de kinderen aan het spelen en de mannen samen met Larry’s moeder (al decennia lang seizoenkaarthoudster bij de Fremantle Dockers) pratend over de laatste Aussie rules voetbal ontwikkelingen met een koud biertje in de avondzon. Ouderwets maar heerlijk. De Janssens hadden ons uitgenodigd om de laatste avond voor vertrek naar Melbourne bij hun door te brengen. Aangezien we nooit fan van het ‘Mestreechs keteerke’ zijn geweest kwamen we net als het eerste bezoek ietwat ongelegen want te vroeg en slechts in shorts gekleed kwam Peter ons tegemoet. Ze waren net van plan een middagdutje doen na met champagne Peter’s nieuwe baan gevierd te hebben. Het was dus feest en de eerste biertjes kwamen op tafel. Voor degenen die Peter kennen, hij wilde graag de planning weten zodat de TomTom geprogrammeerd kon worden. Overigens, tijdens ons ritje in zijn auto terug van het camper afleverdepot had hij constant ruzie met de aardige spreekster dus ik vraag me af of hij niet beter af is met een ouderwetse kaart en boerenverstand. Uiteindelijk gingen we nergens naar toe en na lekker eten en enkele flessen wijn rolden we in de olie op ons luchtbedje dat Peter gelukkig aan het begin van de avond á la McGyver met een haarföhn en plastic fles had opgeblazen. Met een lichte kater stapten we de dag erna in de erg ruime Kia Kathedraal en gingen op verkenning door Perth. Park, museum, winkels, lunch tussen de heftig bier drinkende arbeiders met als afsluiter champagne aan het water met uitzicht op de skyline van Perth. Een mooie dag. We kunnen vrienden en familie van Peter en Vianne deze warme ontvangst en koninklijke behandeling zeker aanraden, dus gewoon boeken en gaan. Het afscheid viel even zwaar maar Melbourne wachtte. We hadden een avondvlucht met Jetstar geboekt, het goedkope zusje van Qantas en werden getrakteerd op de heftigste landing sinds de start van onze reis en kwamen stuiterend tot stilstand. Gelukkig vielen Sara’s oogjes meteen weer dicht toen ze ver na middernacht in bedje kwam.
In Melbourne was een stuk kouder vergeleken met Perth en erg winderig. Men zegt dat hier je alle seizoenen in een dag kan krijgen, zo wispelturig is het weer. We stonden op met regen en rukwinden en zaten onverwacht ’s middags in T-shirt in het zonnetje dus dat kan wel kloppen. Moet een zware klus voor de lokale Piet Paulusma zijn. Ons hotel lag op loopafstand van het centrum en etaleerde zichzelf als flashpacker resort, schijnbaar een nieuwe vorm van rugzaktoerisme door backpackers die meer te besteden hebben. We waren de enige familie en voelden ons in de aangrenzende bar bij het gratis avondeten een beetje als ouders op een schoolfeestje. Om de pijn te verzachten werden we door een wel erg jong meisje gevraagd om mee te doen met de Jäger Train later die avond (een rij Jägermeister met Red Bull in een keer ad fundum) maar toen Sara enthousiast van achter de bank naar voren sprong zag ze gelukkig de zinloosheid van haar uitnodiging in. Sarah was op bezoek bij haar zus die aan de rand van Melbourne woonde en met haar en vriend Timmo in de stad afgesproken. Onze Sara was blij om hun weer te zien en aangezien het zonnetje scheen samen de tram naar St Kilda genomen, een stadswijk aan het strand. ’s Avonds was het tijd om van Brigitte’s afscheidscadeau van haar collega’s te gaan genieten, een diner bij Vibe on Smith in Fitzroy, een trendy uitgaanswijk. We kregen de VIP treatment van Tony de eigenaar die ons bij aankomst met onze voornamen verwelkomde. Het eten was heerlijk en de wijn zo mogelijk nog beter. Sara kreeg als extra toetje nog een stuk chocoladetaart met ijs voorgezet waar je met de hele familie twee dagen van zou kunnen eten. Ze was niet meer te stoppen maar moest uiteindelijk toch de overwinning laten aan de zoetigheid.
De dag erna met Sarah en Timmo langs de rivier de Yarra geslenterd in Melbourne. De stad maakte zich langzaam op voor de apotheose van Aussie rules football, de grand final op 27 september. Het weekend dat wij er waren zouden de halve finales gespeeld worden in de MCG, de Melbourne Cricket Ground of simpelweg de ‘G’ onder de locals. Wat Wembley is voor voetbalfans is de ‘G’ voor sportfans in Australië. Helaas kon ik niemand zo gek krijgen om naar een wedstrijd te gaan. In Fitzroy gaan borrelen bij Little Creatures, het heerlijke bier uit de kleine brouwerij in Fremantle dat ik voor het eerst bij Larry had geproefd. Wat kan succes toch simpel zijn. Je neemt een fabriekshal, serveert alleen maar vijf soorten van één merk bier en enkele gemakkelijk te bereiden gerechten. Zonder verdere aankleding, muziek of andere poespas zit je hut toch de hele avond tjokvol. Voor Brigitte was Melbourne ook een beetje hel. Winkels in overvloed met allemaal leuke en goedkope spullen. Ze dwong zichzelf dapper ertoe om niets te kopen ondanks dat ze regelmatig een winkeltje binnenwipte. Het viel haar dan ook niet zwaar om in plaats van nog 2 dagen in Melbourne te blijven een auto te huren en de Great Ocean Road te rijden, een stuk weg dat schijnbaar met Highway 1 in Californië wedijverde om mooiste weg ter wereld. Aangezien ik de indrukwekkende weg van San Francisco naar LA al een keer had gereden was ik erg benieuwd naar de Australische variant. Sarah en Timmo gingen uiteindelijk ook mee en we konden zelfs de auto van Sarah’s zus lenen en zo propten 4 volwassenen en een kleine zich in de spiksplinternieuwe Suzuki Swift die verrassend ruim van binnen bleek. De Great Ocean Road ligt officieel tussen Torquay bij Geelong en Allansford bij Warrnambool en is zo’n 275 km lang. We reden eerst door het binnenland naar het beginpunt om te overnachten zodat we de volgende dag genoeg tijd hadden om onderweg telkens te stoppen. Sarah had de Great Ocean Road al een keer gezien dus ik mocht achter het stuur. Wat een geweldige weg om te rijden! Het ene hoogtepunt volgde op het andere met als absolute uitschieter het uitzicht bij de 12 Apostels, oorspronkelijk 12 afgescheiden rotsblokken in de woeste branding. De camera hield het plaatjes schieten niet meer bij. De storm die woei gaf het geheel een nog dramatischer aanblik. Sara waaide bijna weg bij rukwinden die volgens de radio met een snelheid van 100 km/uur rondraasden.
Na een lange dag in de auto bleek dat onze avondvlucht naar Cairns met Virgin Blue vette vertraging had opgelopen. Tijd voor hun marketing afdeling om hun slogan the airline that’s never late aan te passen. Uiteindelijk koos de Boeing pas om 2230 uur het luchtruim naar de tropen.
3 reacties op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Australia.
Van Freo naar Exmouth
Eindelijk Australië. Eerst terug naar Singapore en dan weer vooruit naar Perth waar de vlucht rond middernacht landde. Hoewel we door zowel douane als security check heen moesten stonden we al na een half uur buiten in de kou. De temperatuur was minimaal tien graden lager dan Bali en iedereen van onze vlucht stond te koukleumen op zijn slippers, wachtend op vervoer. De eerste nacht hadden we vooruit geboekt in een backpacker hotel waar we de familie kamer met 3 stapelbedden kregen. Sara was ondanks het late tijdstip nog vol energie en zo zaten we om half twee nog Carole en Philip te tekenen, Sara’s obsessie uit Thailand die ons bleef achtervolgen. De volgende dag contact opgenomen met Larry die ons kon onderbrengen bij zijn broer Gerard. Met de trein naar Fremantle, ook wel Freo genoemd, waar Larry ons van het station oppikte. Larry zou Larry niet zijn als de autoradio op het sportkanaal stond en thuis de tv op de Olympische zender Channel 7 overuren maakte met de laptop als back-up voor de minder belangrijke sporten. Hij had zonder Gerard te informeren een kamer in zijn huis aangeboden. We hadden hem al op Tioman ontmoet waar hij een man van weinig woorden was. Gerard was heel gastvrij maar duidelijk niet gewend aan mensen in zijn huis. Hij had geen baan maar kocht af en toe een huis en knapte dit op zodat hij van het beetje winst weer even kon leven. Fremantle was een aangename plek om een paar dagen te verblijven en met onze aankomst was gelukkig ook de zon weer uit de winterslaap gekomen. ’s Avonds koelde het wel nog flink af en aangezien we alleen maar zomerkleren mee hadden konden we het uitgespaarde geld voor accommodatie meteen aan warmere kleren uitgeven. Sara kon naar hartelust met speelgoed van Larry’s kinderen spelen of Gerard’s hond Zebra knuffelen en liep door het huis alsof ze er al jaren woonde. Ondertussen zaten Brigitte en ik in dubio wat te doen met ons reisschema. Ons oorspronkelijk idee van een camperrit van Perth naar Sydney was gezien temperatuur en saaiheid onderweg eigenlijk niet aan te raden. Na vele uren wireless Internet bij Gerard was er zaterdagmiddag eindelijk witte rook: met de camper de westkust omhoog tot Exmouth en weer omlaag tot onder Perth, dan vliegen naar Melbourne en tenslotte doorvliegen naar Cairns om met de camper naar Sydney te rijden. Zo zouden we toch nog een aardig en divers stukje van dit immense land kunnen zien.
In de tussentijd had Larry me uitgenodigd om een Aussie rules voetbalwedstrijd te bezoeken en wel de stadsderby tussen East-Fremantle en South-Fremantle, qua niveau te vergelijken met hoofdklasse amateurvoetbal bij ons. We kwamen het ovale stadion binnen tijdens de rust tussen het eerste en tweede kwart en konden meteen het veld oplopen om bij de thuisclub, de East-Fremantle Sharks, mee te luisteren wat de coach allemaal te melden had. Een vreemd maar leuk initiatief in lagere competities om publiek tijdens de rust te entertainen. Bij start van het tweede kwart belandden we zonder het te weten in de ‘Shark Pit’, het gedeelte waar de harde kern van de thuisclub hun ploeg aanmoedigde. Geen kooi vol opgefokte en agressieve fans, maar een bar met veertigers die elkaar onbedoeld telkens wegduwden met hun indrukwekkende bierbuiken. Het leek meer een gezellige middag met de maten dan een serieus potje sport. Toch was ik getuige van een historisch moment want de laatste Shark overwinning dateerde alweer van eind vorige eeuw. Toen de wedstrijd allang gelopen was voegde Larry’s jeugdvriend ‘Stocky’ zich erbij en kwamen de pitchers met bier in hoog tempo voorbij. Of het aan de jeugdverhalen of het bier lag weet ik niet maar de schooljongen in Larry kwam weer boven en hij weigerde om na het laatste fluitsignaal naar huis te gaan zoals afgesproken met Astrid. Met een wankele tred gingen we op zoek naar een bar en Larry’s zucht naar een biertje was zo hoog dat zelfs het walhalla van degelijkheid niet heilig was: de East-Fremantle bowls club. Voor degenen die onbekend zijn met dit tijdverdrijf, het wordt voornamelijk gespeeld door in wit geklede hoogbejaarden die ovale ballen op perfect onderhouden grasbanen zo dicht mogelijk bij een klein balletje moeten zien te krijgen. De Britse variant van petanque maar dan stijf en ingetogen. Je kunt je de ontzetting voorstellen toen 3 luidruchtige kerels waarvan ondergetekende met een Sharks petje op, het clubhuis binnenvielen en linea recta naar de tap liepen. De man met het meeste grijze haar, de voorzitter bleek, haalde diep adem en stelde tergend langzaam slechts één vraag waar hij het antwoord natuurlijk al op wist: “Are you boys members of this establishment?”. Geweldig!
Ons huis voor de volgende 3 weken bleek een nieuwe en compacte Toyota camper te zijn en na de plichtmatige instructies gingen we op weg naar supermarkt en eerste camping stop in Lancelin. De camping lag aan de Indische Oceaan vlak achter de duinen en na wederom een geweldige zonsondergang te hebben gezien vroeg onder de wol. De volgende geplande stop, Kalbarri lag geografisch op zo’n 500 km. Het rijden hier is een aparte belevenis. We troffen het dat het ‘wildflower’ seizoen net was begonnen zodat de uitgestrekte vlaktes veelgekleurd waren in plaats van dor en bruin. De road kill was indrukwekkend. We telden tientallen dode kangaroes die vooral ’s ochtends vroeg en ’s avonds aangereden werden als ze het meest actief zijn. Tot nu toe helaas nog geen levende gezien. Na een paar uur rijden echter kun je de schaarse verkeersborden die je ziet dromen want iedere keer hetzelfde: stray animals, floodway, grid, floodway, grid, etc. Je wordt zelfs blij als er een bocht komt zodat je weer wat te doen hebt en de momenten die de monotonie echt doorbreken worden de tankstops bij zogenaamde road houses. Komend uit ons kleine volgebouwde landje blijft het toch fascinerend om deze ruimte en vooral rust te doorkruisen. Ons einddoel Kalbarri ligt tussen kust en National Park en is een klein maar mooi plekje. Waar wij dachten dat winter hier laagseizoen zou zijn blijkt het topdrukte op alle campings. We hadden geen rekening gehouden met het fenomeen ‘grey nomads’. Dit zijn 60+’ers die gepensioneerd en huis afbetaald met auto en caravan de kou in hun woonplaats ontvluchten en enkele maanden per jaar door Australië rondrijden. Ze hebben alles bij zich, van generator tot satellietschotel en vormen een karavaan van zuid naar noord en weer terug, de zon volgend. ’s Avonds verzamelen ze zich gewapend met koelboxjes bij de gratis gas BBQ’s, waar de mannen met een biertje in de hand het vlees schroeien en de vrouwen het weer en de afgelegde route bespreken. Een beetje huiverig hebben we een avond met een georganiseerde BBQ meegedaan wat uiteindelijk een leuke avond werd. Ze zijn natuurlijk allemaal opa en oma ergens en alle heimweegevoelens werden op Sara geprojecteerd. Het is jammer dat ze geen engels verstaat anders hadden we een camping vol babysitters gehad.
De kust bij Kalbarri was prachtig en leende zich uitstekend voor een fietstocht. Sara zat voor het eerst achterop en vond het prachtig. Overal waren verlaten baaitjes met metersdikke schelpenstranden en de golven waren dusdanig hoog en wild dat slechts enkele surfers de koude zee in durfden. Vanuit Kalbarri naar Denham gereden, een klein en doods aandoend kustplaatsje dat eigenlijk alleen diende als overnachtingplaats voor een bezoek aan Monkey Mia, een stukje verderop. Dit is een beschermd natuurgebied waar dolfijnen iedere ochtend om 0800 uur naar het strand zwemmen en ‘onder professioneel toezicht’ en massale belangstelling gevoerd worden. Er lag alleen een camping naast het strand maar die was de hele maand augustus volgeboekt. We zouden al om 0700 uur moeten vertrekken vanuit onze camping in Denham om op tijd te zijn voor de voeding, dus geen poging gewaagd ons ochtendritme kennende. Op ons gemak ’s middags naar Monkey Mia en een kayak gehuurd, biertjes en brood meegenomen en naar een verlaten strand gepeddeld om te picknicken. Als de cadans van onze kayak een graadmeter voor ons huwelijk zou zijn kon de scheiding nu al aangevraagd worden. We gingen van links naar rechts en spetterden elkaar onbewust nat. Sara vond het allemaal even geweldig en viel zelfs onderweg in slaap, een dutje dat ze op het strand afmaakte. Terwijl ik bij terugkomst nog een half uurtje met de erg relaxte kayak verhuurder mijn roestige frisbee technieken kon bijschaven dook er opeens uit het niets een nieuwsgierige dolfijn op aan onze voeten. Het was blijkbaar erg ongebruikelijk dat ze ’s middags opdoken, er was dan ook bijna niemand meer op het strand. Brigitte volgde hem langs de waterlijn totdat hij weer de volle zee inzwom. Toch nog een kleine privé dolfijnen ontmoeting gehad.
Onze trouwdatum naderde en we wilden niet in het saaie Denham het glas heffen. Dus in de camper en richting Coral Bay, een heftige 550 km maar volgens velen absoluut de moeite waard. Na een lange rit door een steeds vlakker en minder begroeid landschap met aan het eind talloze termietenheuvels kwamen we aan in Coral Bay. Er waren slechts 2 campings, beide helaas volgeboekt en een tweetal lelijke hotels. Weer de camper in en nog eens 150 km gereden tot aan Exmouth. Na meer dan 700 km en 8 uur in de auto lonkte de credit card en besloten we in te checken in het enige hotel van niveau in de hele regio, het Novotel Ningaloo Resort. Ons uithoudingsvermogen werd beloond met een schitterende hotelkamer en een voortreffelijk diner in het pas geopende restaurant. Met nog een flesje heerlijke Australische pinot noir mee naar de kamer was het toch nog een mooie dag geworden.
Exmouth is ontstaan als bijproduct van een voormalige Amerikaanse marinebasis die van hieruit communiceerden met hun onderzeeërvloot in de Pacific. Het bizarre antenne landschap in de duinen wordt nog steeds gebruikt door de Australische marine. Verder is er geen civilisatie in een kring van 150 km. Wat Exmouth echt bijzonder maakt is de ligging aan zowel het Cape Range National Park en het Ningaloo Reef. Het water is prachtig mooi en kraakhelder en je kunt vanaf het strand al snorkelend het rif verkennen. We waren te laat voor het walvishaai seizoen maar zagen wel verschillende humpback walvissen achter het rif zwemmen die aan hun jaarlijkse trektocht bezig waren. We twijfelden even over een boottocht om deze schitterende zoogdieren van dichtbij te kunnen zien maar willen het geld uitsparen voor een zeiltocht straks aan de oostkust naar de Whitsunday eilanden. In het bezoekerscentrum van het Cape Range park eerst even wat informatie opgehaald. Dit zijn altijd geweldige stops voor Sara want er is vaak een uitgebreide kinderspeelhoek vol met beesten en tekenmateriaal. Snorkelsetje gehuurd en op weg naar Turquoise Bay, de naam geeft al aan hoe prachtig deze baai daadwerkelijk was. Het water was lekker op temperatuur en na honderden verschillende tropische vissen en kleine roggen zag ik opeens twee grotere zwarte ogen vanonder een groot plat stuk koraal die me volgden. Op het moment dat ik stil bleef hangen om goed te kunnen kijken kwam hij even tevoorschijn alsof hij zich wilde voorstellen waarna hij weer langzaam terug naar zijn plek dreef: een jonge maar toch flinke ‘white tip reef’ haai. Nederig zwom ik met samengeknepen billen snel terug richting strand. Sara had intussen de kleine kwallen ontdekt die met vloed op het strand werden geworpen. Voordat we het wisten kwam ze met een kwal in de hand aangerend, “kijk jellie!”. Gelukkig staken deze kwalletjes niet en zagen ze meer uit als afgedankte siliconentieten. Het mooie van paradijselijke plekjes als deze is dat het nergens druk is aangezien de meeste grey nomads op de camping blijven hangen. Verder zijn er slechts weinig plekken om te overnachten en het is te ver voor een dagtripje vanuit de meer bewoonde wereld. Op de terugweg uit het park moesten we in de ankers met de camper voor een emu met een aantal jongen die de weg had uitgekozen om te luieren in de zon. Een bijzonder plekje was het zeker.
Het plan is om in een paar dagen tijd helemaal naar de zuidkust naar Denmark te rijden en vandaar uit terug naar Perth. Qua temperatuur zal het tegenvallen (15-20 graden) maar qua natuur en landschap wel weer heel anders. Daarna gaan we met het vliegtuig vijf dagen naar Melbourne om Sarah hopelijk weer te ontmoeten en een oud-collega van het werk (Rachel Curran). We kijken er ook naar uit om een van Brigitte’s afscheidscadeaus, een dinercheque van een restaurant in Melbourne, te gelde te maken.
4 reacties op dit bericht. Lees meer uit de rubriek Australia.

english version